Is het kader met afbeeldingen rond dit frame NIET zichtbaar: klik hier

Reageer op deze site!
Nederlands-Indië in WO II

                                          

Zie ook Verhalen:
Han Bawits en WO II
Ronald Scholte over Nagasaki
  • Java:
    Kampaantekeningen prof.dr. I.J. Brugmans
    Herinneringen van Broeder Angelus
  • Molukken:
    Belevenissen in de oorlog van Max Tauran
    Getuige Jacob Litamahuputty

    Zie ook de Antillen voor de Japanse aanval in 1941-1942 (Jan Willem van den Belt en Jan Frederik Haayen)


  • Mannen van tien jaar en ouder

    De heiho ranselde met welgemikte slagen
    Tienjarige jongens achter een legerwagen.
    Per onbegrijpelijk decreet waren zij
    Verklaard tot man - en mannen
    Horen niet meer bij hun moeder.
    Hij stond in de rij met in de ene hand zijn teddybeer
    Vastgeklemd om de enige nog aanwezige poot
    In de andere hand een tasje met daarin
    Het laatste restje suiker en wat malariapillen.
    Zijn moeder had dat er op het laatst ingestopt
    Hij dwong zijn tranen terug
    Hij was nu toch man.
    Zijn moeder bad en had de intense hoop
    Hem ooit weer terug te zien.
    Ze had bij zijn geboorte
    Zo'n mooie naam voor hem bedacht.
    Zij, zij stierf aan ondervoeding en malaria
    Ontbeerde pillen die zijn leven redden.
    Hij kwam terecht in een Hollands contractpension
    Koud, nat, onbehaaglijk en ook niet zo aardig
    De hongerwinter was belangrijker in het gesprek
    Dan zijn verhaal van zijn – wreed - vertrek.
    Over goed en kwaad dacht hij steeds afwijkend
    Zijn relaties liepen allen stuk
    Drank en drugs hielpen soms, even de werkelijkheid ontwijkend.
    Zijn loopbaan mislukte keer op keer
    Het enige wat hij miste was zijn oude, éénarmige, zachte teddybeer.

    Uit: 'Flarden, herinneringen van een kampjongen', door Govert Huyser (2005). Publicatie die mogelijk is gemaakt door de geldelijke steun van de Stichting Militaire Oorlogsslachtoffers en Aanverwante doeleinden.

    Generaal b.d. G.L.J. Huyser (Surabaya 1931) verbleef gedurende de oorlog in de Japanse interneringskampen 'Darmo' te Surabaya, 'Karangpanas' in Semarang en in het jongenskamp 'Bangkong' in Semarang.



    Onderscheidenen Nederlands-Indië

    Burgers en militairen uit de verschillende bevolkingsgroepen in Nederlands-Indië die een onderscheiding vanwege hun gedrag in de oorlog kregen (alleen letter A)

    Voor een uitgebreide beschrijving en de personen onder de letters B t/m Z zie
    www.onderscheidingen.nl

    Aalbertsberg, Gerard. Geboren te Malang op 17 februari 1908. Overleden te 's-Gravenhage op 6 april 1978. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945, Verzetsherdenkingskruis. Journalist
    Abdoel Sakoer. Bronzen Kruis. Inheems bediende, aan boord van torpedobootjager Hr.Ms. 'Piet Hein'
    Abdullatif-Nji Raden [adellijke titel] Enong Tjitjik, mevrouw. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Particuliere te Bandoeng
    Adjoen (alias Pang Linggan). Bronzen Leeuw. Inheems burger, betrokken bij het ondergronds verzet in Nederlands-Indië
    Adriani, Paulus Lambertus Grimmius. Geboren te Makasser op 17 januari 1914. Omgekomen aan boord van Hr.Ms. Vliegboot 'X29' nabij Soerabaia op 11 februari 1942. Vliegerkruis. Officier-vlieger der 2e klasse der Marine Luchtvaartdienst, aan boord van Hr.Ms. Vliegboot 'X29'
    Agerbeek, Jacques Rola. Geboren te Batavia op 21 maart 1880. Overleden te Koepang op 17 augustus 1942. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Kapitein der Infanterie-titulair buiten dienst van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, gezaghebber van de Bescherming Bevolking
    Akoeilia Torey. Bronzen Kruis. Inheems burger, lid van het verzet in Nederlands-Indië
    Akolo. Bronzen Kruis. Ambonees sergeant 2e klasse van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger
    Alan. Bronzen Kruis. Inheems kamponghoofd, lid van het verzet in Nederlands-Indië
    Aliet, Hendrik. Geboren te Paleleh, Makassar, op 20 augustus 1912. Overleden te Monrovia, Los Angeles in maart 1983. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Soldaat bij de Kustartillerie van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger
    Alstede, Paulus Simon. Geboren te Buitenzorg (Bogor, Java) op 20 juni 1906. Gesneuveld aan boord van Hr.Ms. Kruiser 'Java' in de Javazee op 27 februari 1942. (zie ook Jan Frederik Haayen bij Antillen). Bronzen Kruis, Oorlogsherinneringskruis, Officierskruis XV. Luitenant-ter-zee 1e klasse, navigatie-officier aan boord van Hr.Ms. Kruiser 'Java'
    Altman-de Moet, mevrouw Lena Cornelia (“Corrie”). Geboren te Malang op 1 september 1911. Overleden te Benidorm op 24 april 1996.Trouwde op 11 juni 1929 te Amsterdam met Friedrich Heinrich Altman. Echtscheiding te Djakarta op 20 mei 1952. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Particuliere te Soerabaja
    Amag Darminah. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Dorpshoofd van de dessa Pengantap, district Geroeng, West-Lombok
    Amag Lebih. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Dorpshoofd van de dessa Bengkok, district Geroeng, West-Lombok
    Amag Redam. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Dorpsoppasser van de dessa Pengantap, district Geroeng, West-Lombok
    Amag Sibah. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Dorpshoofd van de dessa Blangas, district Geroeng, West-Lombok
    Amahorseja, M.B.. Bronzen Kruis. Sergeant-telegrafist der Koninklijke Marine
    Amak. Kruis van Verdienste. Bediende, aan boord van het m.s. 'Madoera'
    Amat. Bronzen Kruis. Inheems burger, lid van het verzet in Nederlands-Indië
    Ament, Cornelus Carolus. Geboren te Paroendjaia, Java, op 29 maart 1896. Geëxecuteerd te Batavia-Antjol op 23 september 1943. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Employé van het Algemeen Landbouw Syndicaat
    Aroen. Bronzen Kruis. Inheems inlandse jongen, bij de Onderzeebootdienst der Koninklijke Marine
    Asbeck, Thomas Karel baron van. Geboren te Kedongdjati (Java) op 14 oktober 1899. Overleden te 's-Gravenhage op 23 oktober 1966. Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, Officier in de Orde van Oranje Nassau en vele andere onderscheidingen. Officier in de Orde van Oranje-Nassau wegens: “als commandant van Ons Escortevaartuig ‘JAN VAN BRAKEL’ en vòòrdien van Onzen Mijnenlegger ‘VAN MEERLANT’ gedurende ruim drie jaren onder moeilijke en vaak gevaarvolle omstandigheden op bekwame en beleidvolle wijze het bevel gevoerd. Kapitein-luitenant-ter-zee, commandant van Hr.Ms. Escortevaartuig 'Jan van Brakel'
    Asjes, ir. Dirk Lucas. Geboren te Soerabaja op 21 juni 1911. Overleden te 's-Gravenhage in februari 1997. Militaire Willemsorde, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, Vliegerkruis en vele andere onderscheidingen. Militaire Willemsorde wegens: “het zich in de strijd onderscheiden hebben door uitstekende daden van moed, beleid en trouw door in het tijdvak van 27 Februari 1944 tot en met 22 September 1944 op voorbeeldige wijze persoonlijk deel te nemen aan een groot aantal operationele vluchten van het Nederlands-Indische 18e Squadron bommenwerpers uit Australië naar door de vijand bezet gebied in de Zuid-Molukken, op Timor en Flores en op eilanden in de Banda Zee en de Arafoera Zee, zomede op Nieuw-Guinea...”
    Ayal-Nahuwae, Costavina ("Coosje"). Geboren op 15 april 1926. Kruis van Verdienste, Verzetsherdenkingskruis, Ereteken voor Orde en Vrede, Mobilisatie-Oorlogskruis, Draaginsigne Gewonden. Burger. Kruis van Verdienste wegens: "moedig en zeer verdienstelijk optreden getoond gedurende vele maanden van guerrillastrijd tegen de Japanners in het Vogelkop-gebied van Nieuw-Guinea, en daarbij alle gevaren en ontberingen van de guerrilla-strijders gedeeld."

    Bron: www.onderscheidingen.nl


    Mauretz Christiaan Kokkelink


    Geboren te Willem I (Nederlandsch-Indië) op 17 juni 1913. Overleden te Frans-Guyana in augustus 1994. Tijdelijk fuselier bij het KNIL (26-03-1931), militie soldaat KNIL (09-12-1941), militie sergeant KNIL (01-01-1944), tijdelijk mil-aaoi KNIL (09-08-1945), e.o. 20-07-1950 KB K.310. Auteur van het boek 'Wij vochten in het bos - de guerillastrijd op Nieuw-Guinea tijdens de Tweede Wereldoorlog'. Ridder 4e klasse der Militaire Willems-Orde; K.B. no. 17 van 12 april 1945. Militie-sergeant van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger.



    De Willemsorde is hem toegekend met de volgende motivatie:
    "Aanvankelijk als ondercommandant, later als commandant van een detachement van in den beginne 58 man sterk, na de bezetting van Manokwari op Nieuw Guinea door de Japanners in Maart 1942 zeer grooten moed, beleidvol optreden, doorzettingsvermogen en bekwaamheid getoond. Bij de Japansche bezetting het binnenland ingetrokken zijnde, den vijand, ondanks onbeschrijfelijke moeilijkheden en ontberingen, gedurende 2, 5 jaar den grootst mogelijken afbreuk gedaan, zoodat de Japansche autoriteiten zelfs f 10.000 en een groote hoeveelheid rijst en zout op zijn hoofd stelden en een macht van 1100 Japansche soldaten uitzonden om zijn guerilla-bende te vernietigen. Nog zwak en ziek zijnde, na zich te hebben terug gemeld bij de Nederlandsche autoriteiten, zich onmiddellijk wederom aangeboden voor zeer riskante opdrachten."

    N.B.: M.Ch. Kokkelink is afzonderlijk vermeld vanwege zijn hoge onderscheiding.
    Bron: www.onderscheidingen.nl
    N.B.: zie ook de in Nederlands-Indië geboren marinier Frans Meeng (hoofdstuk Suriname, Een groep mariniers uit Suriname, Antillen en Nederlands-Indië). Hij ontving het Oorlogsherinneringskruis met de gesp voor 'Krijg ter Zee 1940-1944'.

    Indonesiërs in het Nederlands verzet tegen de Duitse bezetter

    Er waren in de eerste helft van de twintigste eeuw vele honderden autochtone inwoners van de toenmalige kolonie Nederlands-Indië voor korte of langere tijd in Nederland. In het standaardwerk van Harry A. Poeze, In het land van de overheerser (zie Bronnen) worden zij ‘Indonesiërs’ genoemd. Die term nemen we hier over, evenals een groot deel van onderstaande informatie.

    De meeste Indonesiërs kwamen uit Java, anderen van Sumatra, Ambon, de andere eilanden, sommigen waren Chinees. Het waren voornamelijk zeelui, dienstbodes (‘baboes’), bedienden, studenten en enkele kunstenaars. Hun aantal wordt in de jaren dertig op rond 800 geschat. Naar verhouding werden velen van hen actief in het verzet tegen de Duitse bezetter, met name vanuit hun organisaties, maar ook individueel. Vooral over de, vaak adellijke, studenten is veel bekend. Het ging in totaal vermoedelijk om 60 tot 100 personen.

    De Indische Vereeniging en P.I.


    Bestuur Indische Vereeniging 1924. Moh. Hatta (staand 2e v.l.), Pamontjak (zit. 1e v.r.) (Bron: H. Poeze e.a. p.178)

    De studenten en kunstenaars stichtten in 1908 de Indische Vereeniging (I.V.), die zich vooral aan ontmoeting, cultuur en onderlinge hulp wijdde. Op dezelfde manier ontstonden er in de loop van de tijd ook aparte organisaties voor Chinese studenten (Chung Wha Hui, ofwel Chinezen-Vereniging Nederland), en eveneens voor moslims, christenen, dienstboden en zeelieden. Vanwege de groeiende strijd voor onafhankelijkheid radicaliseerde de Indische Vereeniging en ging men zich in 1922 ‘Indonesische Vereeniging’ en vanaf 1925, in de eigen taal, ‘Perhimpoenan Indonesia’ (P.I.) noemen. De strijdkreet luidde: ‘Indonesia merdeka!’ – Indonesië vrij! De student economie en latere minister-president Mohammad Hatta was een van de voorzitters en Soetan Sjahrir, de latere premier van Indonesië, was bestuurslid.


    Roestam Effendi (Bron: BWSA socialhistory.org) e.a. p.178)

    Eind jaren twintig kwam de P.I. in communistisch vaarwater, mede omdat alleen daar blijvende steun te vinden was voor een vrij vaderland. Dat kwam ook tot uiting in de positie van P.I.-bestuurslid Roestam Effendi, die in 1933 Kamerlid werd voor de Communistische Partij Nederland. Hatta en Sjahrir werden in die tijd als lid geschorst.

    Roepi
    Veel studenten voelden zich niet thuis bij die koerswijziging. Er gold al een ambtenarenverbod voor leden van Perhimpoenan Indonesia, zodat de meesten in het geheim meededen – er zijn dan ook geen bestuursfoto’s. Maar voor communisten gold dit verbod nog sterker. Dat was onhandig voor wie aangewezen was op een latere koloniale bestuursfunctie. Zo ontstond in 1936 een nieuwe culturele en sociale vereniging, Roepi. De volledige naam luidde ‘Roekoen Peladjar Indonesia’, Bond van Indonesische studerenden. In het bestuur kwamen leden van de verschillende eilanden, universiteitssteden en overtuigingen bij elkaar. Leiden was de centrale plek, maar er ontstonden ook groepen in Den Haag, Amsterdam, Wageningen en andere steden.


    Roepibestuur 1940. V.l.n.r. zitt.: Evie Poetiray, Soeripno, Daliloeddin, Rozai Koesoemasoebrata. Staand: Rasomo Woejaningrat, Amir Hamzah, Maroeto Daroesman (Bron: H. Poeze e.a. p.178)

    Bekende namen waren Soenito (rechten), Daroesman (indologie), Daliloeddin (Atjeh, scheikunde), Soeripno (scheikunde) en Evie Poetiray (Molukken, chemisch analiste). De eerste vier van hen waren, zoals ook vele anderen, tegelijkertijd lid van de Perhimpoenan Indonesia. De P.I. zelf matigde vanaf 1936-37 zijn koers en begon de gezamenlijke strijd tegen nazisme en fascisme de voorrang te geven. Men organiseerde hulpacties voor China, dat in 1937 slachtoffer werd van de Japanse agressie, en nam deel aan internationale vredesbijeenkomsten in Brussel, New York en Parijs. De verschillende verenigingen kwamen vanwege de dreigende oorlog sowieso dichter bij elkaar te staan. De tweede Culturele Conferentie die Roepi op 7-8 september 1940 in het Clubhuis te Leiden organiseerde, telde 119 deelnemers, onder wie 35 niet-studenten.

    Bezetting
    Door de Duitse bezetting werd Nederland afgesneden van zijn kolonies en omgekeerd. Vanaf januari 1941 werd ook Indonesië bezet, door Japan. De studerenden raakten vanwege de oorlogen de financiële steun van hun familie kwijt en kwamen in de problemen met huur, voeding en studiekosten. Universiteiten, fondsen en overheden sprongen in, meestal echter zeer basaal. Het Leidse Roepi-clubhuis aan de Hugo de Grootstraat 12, ‘Roemah Indonesia’, werd een centraal adres voor ondersteuning. Er waren maaltijden voor wie bonnen had (of niet), medisch spreekuur, culturele voorstellingen en een verenigingsblad.

    Badan Perantaraan
    Op de tweede Culturele Conferentie besloten zes organisaties samen te werken in het platform Badan Perantaraan (Orgaan van bemiddeling). Het ging om Roepi, de P.I., de Perkoempoelan Islam (Islam-vereniging), de Indonesische Christen Jongeren (I.C.J.), de Kaoem Moeda Indonesia (Indonesische Jongeren, K.M.I.), opgezet voor zeelieden, en de Kaoem Iboe Indonesia (Indonesische Moeders), opgericht voor baboes. Andere groeperingen bleven er mogelijk buiten vanwege de eis tot erkenning van het Indonesisch nationalisme.


    Slotfeest Ramadan (‘Lebaran’) in het huis voor vrouwelijke en mannelijke dienstbodes, ‘baboes’ en ‘djongo’s’, in huize Persinggahan, Den Haag (1934). Geheel rechts voorganger Rana Disasmita, overleden in de oorlog (Bron: H. Poeze e.a. p.178)

    Slachtoffers
    Velen hadden het zwaar. Van de naar schatting 800 Indonesiërs in Nederland stierven er in de oorlog minstens 86, ruim 10%. De meesten aan een combinatie van slechte en ongewone voeding, strenge kou en ziektes zoals tuberculose. De Perkoempoelan Islam begroef in Den Haag tijdens de oorlog 33 mensen; in de eerste drie oorlogsjaren 14, in de laatste twee 19 personen. Wat betreft de Leidse studenten: in 1940 waren er 39 Indonesiërs. Tussen mei 1940 en het voorjaar van 1944 overleden 12 van hen. 8 van hen aan tbc, terwijl 7 van de overlevenden de ziekte hadden gehad. Roepi-voorzitter en rechtenstudent Poernomohadi overleed in april 1943 aan een treinbeschieting, zoals ook drie maanden later mevrouw Sadjem uit Den Haag. De arbeider Nitie Nardjam stierf in maart 1944 door een bombardement op Den Haag. Acht andere Indonesiërs kwamen om het leven vanwege verzetsactiviteiten - een van hen, Bhima Jodjana, doordat hij in Frankrijk studeerde en oorlogsgijzelaar werd. De laatste was Rawindra Notosoeroto, die in november 1945 overleed aan de ellende en tbc die hij in een Duits tuchthuis opliep.


    Uit P.I.-blad Indonesia, 15-1-1946 (Bron: H. Poeze e.a. p. 329)

    Verzet 1940-1944
    De Perhimpoenan Indonesia was vanwege zijn communistische koers al voor de oorlog gewend aan illegaal werken. Nadat het blad ‘Indonesia’ was verboden werd vanuit het Leidse clubhuis het illegale ‘Madjallah’ (Tijdschrift) uitgegeven, in 1941 opgevolgd door een getypt blaadje zonder titel. De P.I. stond voldoende in de aandacht om al in juni 1941 invallen mee te maken bij leden in Leiden en Amsterdam. De arts Parlindoengan Loebis en de jurist Sidartawan Kartosoedirdjo werden opgepakt. De laatste werd het eerste slachtoffer van de P.I. Hij stierf op 15 oktober 1942 in Dachau. Loebis overleefde twee Nederlandse en twee Duitse kampen. Men maakte de organisatie strakker. Naast voorzitter Setiadjit (‘Adjit’) Soegondo kwamen drie anderen in de leiding: Soenito, Soeripno en Daroesman, allen met Nederlandse schuilnamen. P.I.-leden moesten commando’s van de leiding opvolgen. Hoe dat was, vertelde Evie Poetiray in haar interview met Herman Keppy (2010). Er bestond een cellenstructuur met steeds vijf P.I.-leden. Eén van hen had contact met de leiding, en gaf de opdrachten door. Wekelijks kwam men bij elkaar voor scholing of een nieuwe opdracht. Er waren studenten-verzetsgroepen in Leiden, Amsterdam, Den Haag, Rotterdam-Delft, Utrecht en Wageningen. Vanaf midden 1942 opereerden in Amsterdam zelfs vier subgroepen. De groepsleiders waren onder andere Siantoeri, Rasono Woerjaningrat, Ticoalu en Daliloeddin. Alle leden van de Perhimpoenan Indonesia zaten op deze manier in het verzet. Dat gold meestal ook voor hun partners of verloofden.

    Partners
    De P.I. werkte in het verzet samen met islamitische en christelijke Indonesiërs, zoals al eerder in de Badan Perantaraan. Evie Poetiray was de schakel met de Indonesische Christen Jongeren. Met haar latere man, Siantoeri, zette ze tijdens de oorlog vijf I.C.J-conferenties op waar iedereen, ook onderduikers en Nederlandse studenten, welkom was. Een bekende plek was het conferentieoord van de Zending in Kerk-Avezaath (Tiel).


    ICJ-conferentie zendingshuis Kerk-Avezaath. Vlnr: dhr. Oey, Dora Maria Sigar (de vrouw van Soemitro Djojohadikoesoemo), Moorianto Koesoemo Oetoyo, onbekend, Estefanus Looho, mevr. Olga Nelly Sigar (toek. vrouw van Estefanus Looho) en Joesoef Moeda Dalam (Bron: Facebook)

    Evie vertelde in 2010 hoe groot de saamhorigheid was, ongeacht grote verschillen in religie of politieke overtuiging. Er bestond, zo zegt zij, alleen echt verschil met student economie Soemitro Djojohadikoesomo, die Japan bewonderde, ‘want Japan vonden wij als P.I. fascistisch en een vriend van nazi-Duitsland’. Toch hielp Soemitro de P.I.-groep in Rotterdam.

    Nederlands verzet
    De Perhimpoenan Indonesia had daarnaast contact met Nederlandse groepen. In Amsterdam was dat bijvoorbeeld met de illegale bladen Vrij Nederland, Parool, Waarheid en De Vrije Katheder. Men leverde hun informatie over de situatie in Indonesië en zorgde voor koeriers. De laatste drie bladen werden ten huize van de familie Soesilo (Euterpestraat 167) gestencild. En Setijadit was vanaf het begin redacteur van het studentenverzetsblad de Vrije Katheder.

    Activiteiten Rotterdam


    Indonesische zeelieden uit 1946 (Javakade, Amsterdam) in een vergelijkbare situatie als hun Lloyd-collega’s tussen 1940-1945 (Bron: H. Poeze e.a. p. 336)

    De P.I.-groep van Rotterdamse studenten had een speciaal karakter. De Handelshogeschool zorgde de hele oorlog voor een toelage, wat het overleven makkelijker maakte. Daarnaast speelde de haven een grote rol. Want in de meidagen van 1940 kwamen 66 Indonesische zeelui van de Koninklijke Rotterdamse Lloyd en de Maatschappij Nederland vast te zitten. Ze konden niet terug. De materiële verzorging door de Lloyd was goed, maar de P.I.-groep, onder wie drie kinderen van de Djokjase arts Pratomo en de Nederlandse verloofde van een van hen, was bezorgd over een pro-Duitse houding en ronseling voor de Arbeitseinsatz.


    Stennie Gret en Djajeng Pratomo (ca. 1945) (Bron: www.academia.edu)

    De groep nam verder deel aan het gewone verzet, vooral door de verspreiding van illegale blaadjes. Djajeng Pratomo ging na enige tijd uit veiligheidsoverwegingen in Den Haag wonen. Daar werd hij echter, na arrestatie van zijn verloofde Stijntje Gret, op 18 januari 1943 ook zelf aangehouden, samen met huisgenoot Moen Soendaroe en twee bezoekende arbeiders, Hamid en Kajat (zie foto krontjonggroep Insulinde). De twee studenten werden naar gevangenissen en kampen in Nederland en Duitsland gestuurd. Moen Soendaroe bezweek in februari 1945 in Neuengamme.

    Delft en Utrecht
    De twee leden van de P.I. in Delft deden mee aan het algemene studentenverzet en de plaatselijke illegaliteit. Na de protesten tegen het ontslag van drie joodse hoogleraren en twee docenten op 23 en 25 november 1940 doken ze tijdelijk onder. De TU werd gesloten. Hetzelfde, protesten en sluiting, vond die week in Leiden plaats. Moorianto Koesoemo Oetoyo werd in mei 1942 naar de Rotterdamse groep gestuurd. Thahir Thajeb werd zo ziek dat hij moest worden opgenomen.


    Homeopathisch Ziekenhuis te Oudenrijn (ca. 1940-1948) (Bron: www.hetutrechtsarchief.nl)

    In Utrecht was de kamer van een zuster van het Homeopathisch Ziekenhuis, Djoedjoe Soetanandika, het centrum van P.I.-verzet. Dit ziekenhuis lag in het vroegere Oudenrijn – in het huidige Kanaleneiland. In 1944 ging Djoedjoe naar het Wilhelminagasthuis in Amsterdam waar zij doorging met het ondergrondse werk. In 1944-45 werkte ze als verzorgster en verpleegster bij de strijdgroep van de P.I. in Leiden (Oegstgeest).

    Leiden en Amsterdam
    Ook in deze steden deden Indonesiërs en P.I.-leden mee aan het algemene en studentenverzet, onder andere tegen het ontslag van de joodse hoogleraren op 26 november 1940. Bekende namen waren Daroesman, Hadiono Koesoemo Oetoyo en Soeripno. De daarop volgende sluiting van de Universiteit Leiden was een klap. De toekomst van de studie en de examens werd onzeker. Een jaar later werd het mogelijk om de studie in andere steden voort te zetten. De meeste Indonesiërs vertrokken toen naar Amsterdam. Daarheen verhuisde ook het Clubhuis. Men kon terecht in een pand aan de Willemsparkweg 194, waar eveneens een paar studenten konden wonen. In Amsterdam werden in februari, augustus en september 1943 verschillende Indonesiërs gearresteerd en tijdelijk vastgezet, onder hen zoon en dochter Soesilo. De stencilmachine kon naar het Clubhuis worden gesmokkeld. Maar door verscherpte Duitse maatregelen moest men het pand later dat jaar sluiten.


    Darsono en Alam Notosoedirdjo ca. 1940 (Bron: www.lowensteyn.com/indonesia/kommunis.html)

    Darsono
    Darsono Notosoedirdjo, leerling van Henk Sneevliet en in 1924 een van de oprichters van de Communistische Partij van Indonesië (PKI), vestigde zich in 1933 in Nederland. Daarvóór had hij, tijdens zijn verblijf in Moskou, gebroken met het communisme. Darsono sloot zich niet aan bij de P.I.. Hij maakte tijdens de oorlog wel deel uit van het Amsterdamse verzet, onder meer als redacteur van het door Jef Last opgerichte illegale weekblad ‘De Vlam’.

    Den Haag
    De zeer vroege verzetsgroep van rechtenstudent Rawindra Notosoeroto, in Den Haag en Leiden, was eveneens zonder verbinding met de Perhimpoenan Indonesia ontstaan. Zijn vader, Raden Mas Noto Soeroto, was een bekend dichter en politicus, die in 1908 aan de wieg had gestaan van de Indische Vereeniging. De groep werd al in juli 1941 in zijn geheel opgerold, en Rawindra overleefde de oorlog na ruim 2,5 jaar strafgevangenis met slechts enkele maanden. Hij stierf in Nederland aan verwaarloosde tbc en verzwakking. Zijn zuster Dewatiah was ook actief in het verzet, maar werd niet gearresteerd. Hun moeder Jo Notosoeroto-Meijer woonde met de kinderen in een deel van Den Haag dat Sperrgebiet werd. Ze verhuisde toen naar Zeist. Daar werd ze opgepakt vanwege verzetsactiviteiten. Jo kwam in kamp Ravensbrück terecht, dat ze overleefde.


    Rawindra Notosoeroto (ca. 1940) (Bron: www.oranjehotel.nl)

    ‘Feiten’
    Een andere illegale groep in Den Haag, wel geleid door de P.I., begon eind mei 1943, na de verplichte inlevering van radiotoestellen, aan een gestencild nieuwsblad: ‘Feiten’. Het bulletin van één pagina verscheen in principe dagelijks. Het begon met de curieuze zin: ‘Aan de berichten der Verenigde Naties ontlenen wij het volgende’. Men werkte voor samenstelling en druk samen met collega’s van het Rijksbureau der Metaalverwerkende Industrie, waar twee van de Indonesiërs werkten. Daarnaast hadden de studenten contact met Indonesische arbeiders, die meewerkten als verspreiders, koeriers of anderszins.

    Arrestaties
    Na verraad werden op 3 april 1944 drie redactieleden gearresteerd: Moewalladi, Dradjat Doermoekeswara en H. van den Bosch. Dradjat was belangrijk als contactpersoon met de zeelieden (K.M.I.), maar niet de leider. Die ontkwam. Dit was, samen met technisch tekenaar van den Bosch, Oelam Simatoepang. De namen van drie andere P.I.-studenten waren geheim gebleven. Het waren de juristen Tamzil en Pamontjak, sinds 1919 in Nederland, en het enige Chinese lid van Perhimpoenan Indonesia, de jurist Si Sioe Giang. In augustus 1944 konden uiteindelijk vier mensen van het netwerk rond ‘Feiten’ veroordeeld worden: van den Bosch, een onderduiker die hem bij het stencilen had geholpen, Dradjat en een collega van het Rijksbureau, Hoenderop. Doermoekeswara kreeg drie jaar en werd naar het tuchthuis Siegburg gestuurd, dat hij overleefde.


    Dradjat Doermoekeswara, registratie Zuchthaus Siegburg 1944. (Bron: Harry A. Poeze e.a. p. 311) (Bron: www.dbnl.nl)

    Hulp aan joden en andere onderduikers
    Pratomo en Keppy vullen op dit punt het relaas van Harry Poeze aan, die niets over hulp aan joden schrijft. Pratomo vertelt dat verscheidene afdelingen van de Perhimpoenan Indonesia zich intensief hebben beziggehouden met hulp aan door de nazi´s gezochte joodse Nederlanders en verzetsmensen. Zij zorgden onder andere in Rotterdam, Delft, Den Haag en Leiden, voor onderduikadressen, levensmiddelenbonnen en persoonsbewijzen. Evi Poetiray vertelt in haar interview dat je gewoon de opdracht kon krijgen: ‘twee joden opbergen’, waarmee ‘onderduikplek en verzorging geven’ werd bedoeld. In 1942-1943 werden door Indonesiërs twee groepen joodse kinderen vanuit Amsterdam naar een schuilplaats in de Veluwse bossen gebracht en verzorgd. Veertig jaar later ontmoette bij toeval een van deze kinderen – inmiddels arts geworden - één van de Indonesiërs die hem toen in veiligheid had gebracht. Zou het om Slamet Faiman zijn gegaan of om Rachmad Koesoemobroto? Aan hen wijdt Herman Keppy op zijn website speciale aandacht.


    Rachmad Koesoemobroto (1e v.links) met Nel v.d. Bergh (2e v.rechts), ondergedoken joodse kinderen en anderen (1942) (Bron: bd.yadvashem.org)

    De Leidse rechtenstudent Rachmad Koesoemobroto kwam na de sluiting van de universiteit in aanraking met het verzetswerk van zijn verloofde, Petronella (Nel) van den Bergh. Zij werkte in Utrecht bij een joodse winkel, tot deze door een Duitse ‘Verwalter’ werd overgenomen. Nel liet joodse kinderen onderduiken, onder wie de zusjes Miri en Emi Freibrun. Rachmad hielp haar daarbij. Na een overval werd Nel opgepakt en in februari 1944 in kamp Vught geëxecuteerd. De meisjes Freibrun overleefden, zoals ook Rachmad.
    Het Amsterdamse P.I.-lid Slamet Faiman, opgeleid tot zeeman en presicent van de K.M.I., zette zich eveneens voor joodse en andere onderduikers in. Onder hen was de vrouw van een landgenoot L. Notohadinegoro-Brilleman. Hij zocht plekken voor hen, vaak bij hem thuis aan de van Eeghenstraat 11, en vervalste papieren. Ook de Leidse student Irawan Soejono dook bij hem onder. De polio die hij bij het clandestiene werk opliep maakte Slamet voor de rest van zijn leven invalide.
    Keppy noemt ook de naam van Tole Madna (1898). Hij was geen lid van de P.I. Tole was ooit als pleegkind naar Nederland gekomen en woonde met zijn baboe Mina Saïna in Den Haag. De joodse Gitel Münzel kwam hem in 1942 om een onderduikplaats vragen voor haar negen maanden oude zoontje Alfred. Haar man en twee oudere kinderen waren al onder dak. Het kind bleef tot het eind van de oorlog. Gitel overleefde Ravensbrück en vond Alfred, als enige van het gezin, in leven bij Tole en Mina.
    Het voormalige Kamerlid Nico Palar (SDAP) en zijn vrouw Joke Volmer kunnen ook worden genoemd. Joke was al betrokken bij verspreiding van illegale bladen en de distributie van bonnen. Daarnaast diende hun tweekamerwoning aan de Amsterdamse Uiterwaardenstraat enkele keren tot tijdelijk onderkomen van (joodse) onderduikers.

    Vier militairen


    Viktor Louis Makatita (ca. 1939) (Bron: www.hermankeppy.nl)

    Een van de vier Indonesische kadetten die in 1939 hun studie aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) was begonnen, de Molukker Victor Louis Makatita, was na de bezetting gedemobiliseerd. Hij was vrij man en werd daarom niet, zoals de anderen, in 1942 als krijgsgevangene afgevoerd naar Duitsland. In februari 1942 probeerde Makatita met een KNIL-collega Zwitserland en daarna zelfs Nederlands-Indië te bereiken. Victor werd bij de Zwitserse grens gearresteerd en op 9 april in Dijon met twee lotgenoten gefusilleerd.
    Een tweede omgekomen militair was ook Molukker, Eduard Alexander Latuperisa. Hij was kapitein infanterie bij het KNIL in Nederlands-Indië en kreeg na zijn komst in 1939 naar Nederland een militaire staffunctie. Hij raakte na de bezetting betrokken bij de illegale Ordedienst (O.D.), maar werd in maart 1942 gearresteerd. Vijftien maanden later, op 29 juli 1943, werd Latuperisa met zestien andere gevangenen op de Leusderheide gefusilleerd.
    De derde militaire verzetsman die in de oorlog om het leven kwam was onderofficier Mas Soemitro. Hij woonde met zijn vrouw in Soest en meldde zich tijdens de bezetting niet voor Duitse krijgsgevangenschap, maar dook onder. Soemitro sloot zich aan bij het ondergrondse verzet, eerst in Soest, daarna in Den Haag. Daar sprong of viel hij in de herfst van 1943 uit de tram, waarbij hij zulke zware verwondingen opliep dat hij op 26 januari 1944 overleed.

    Herman Keppy noemt op zijn website ook de Molukker Wim Sihahainenia, deelnemer aan de slag in de Javazee (27 feb. 1942). Hij werd gered en kwam via Tjilitjap en Colombo in Schotland terecht, waar hij stoker werd aan boord van de O15, een Nederlandse onderzeeër. Daarop dienden ook Javanen en Menadonezen. Wim en zijn collega’s kwamen heelhuids de oorlog door. Er waren zeker andere, ongenoemde Indonesiërs in de Nederlandse en geallieerde strijdkrachten.

    Overleven
    Naast de ondersteuning van universiteiten en hogescholen en de hulp via Roepi en gelijksoortige organisaties waren er andere mogelijkheden om de oorlog door te komen. In de eerste jaren waren er nog ‘rijstbonnen’, maar dat hield door gebrekkige aanvoer op. Ook de brandstoftoewijzing werd minder, terwijl de winters zeer koud waren. Het gevolg was dat studenten en werkenden (de eersten waren vaak links, de laatsten meestal traditioneel islamitisch) bij elkaar gingen wonen en samenwerkten. Tot oktober 1943 keerde het ministerie van Koloniën aan Indonesiërs en Chinezen – hoewel van een ‘niet-Arisch ras’ - een toelage uit. Evie Poetiray noemt een bedrag van 90 gulden per maand, en spreekt erover als ‘omkoopgeld’. Verloofden gingen ook niet trouwen, om het dubbele geld niet kwijt te raken. Op een gegeven moment stopte de toelage, vermoedelijk vanwege plannen tot hun tewerkstelling in Duitsland, die echter nooit tot systematische uitvoering zijn gekomen. Vandaar dat studerenden probeerden aan een baantje te komen.

    Koloniaal Instituut


    Krontjonggroep van gezelschap Insulinde (1941-1944). Vooraan vlnr: Moh. Jasin, Soegeng Notohadinegoro, Dradjat Doermakeswara. Achter: Moestaman, Djajeng Pratomo, Hamid, Kayat, I.A. Mochtar, Oentoeng Kasim (Bron: Harry A. Poeze e.a., p. 313)

    Het Koloniaal Instituut, het latere Tropeninstituut, bood tijdens de oorlog financiële steun aan Indië-gangers en Indonesische studenten. Bovendien contracteerde het Indonesische gezelschappen voor dans, muziek, toneel en krijgsdansen (pencak). Het ging vooral om ‘Ardjoeno’ (1940) en ‘Insulinde’ (1941). Insulinde bouwde voort op een orkest van Indonesische zeelui (K.M.I.) en nam P.I.-studenten op. Ook de sociaal-democraat Palar, Tweede Kamerlid voor de SDAP, speelde mee als gitarist. Het orkest mocht ‘s zondags om de week optreden in het Instituut en kreeg maandelijks vier voorstellingen op andere plaatsen aangeboden. Datzelfde gold voor ‘Ardjoeno’. Dit gezelschap werd in 1944 opgevolgd door ‘Bintang Mas’, waarvoor het Koloniaal Instituut jurist en P.I.-lid Abdoelmajid Djojoadhiningrat als adviseur aantrok. Hij werkte in augustus 1943, evenals Lillah Soesilo en vele anderen, aan een grote theaterproductie van het Instituut in de Stadsschouwburg mee, ‘De omgeslagen prauw’. De honoraria van de optredens stortten de leden van de Perhimpoenan Indonesia in de kas van de vereniging. Zo was er letterlijk sprake van ‘krijgsdans’. Het Koloniaal Instituut, hoewel hoofdkwartier van de Gestapo, diende tegelijk als illegale vergaderplek.


    Lillah Soesilo in De Omgeslagen Prauw (Bron: Harry A. Poeze e.a., p. 315)

    Oost en West
    Deze oude vereniging voor kennisverspreiding over Nederlands-Indië en hulpverlening aan Indiëgangers en ‘inheemsen’ (1899), werd tijdens de oorlog op verschillende plekken actief voor Indonesische studenten. De oud-gouverneur van Sumatra’s Oostkust, H. Ezerman (Arnhem), schoot begin 1942 vanuit Oost en West Roepi te hulp. Zo werden via hem de maaltijden in Amsterdamse Clubhuis gesubsidieerd. Oud-gouverneur van Celebes dr. L. Caron (Amsterdam) meldde zich eveneens, met bedragen uit het bedrijfsleven. Hij nam echter afstand van linkse ideeën en acties tegen de bezetter. Er moest gestudeerd worden.

    Samenwerking legaal en illegaal
    Hoewel wat ideeën betreft verschillend, kenden de bestuursleden van de diverse comités voor hulp aan Indonesiërs elkaar goed. De Indonesische gemeenschap was klein, sommigen musiceerden en dansten samen bij ‘Insulinde’. Leden van de illegale Perhimpoenan Indonesia konden daarom zonder verraad hun verzetswerk doen en regelmatig gebruik maken van het sociale netwerk van gedulde organisaties als de Indonesische Christen Jeugd en de Perkoempoelan Islam. Deze laatste organiseerde het grootste deel van de Haagse Indonesiërs.

    Perkoempoelan Islam Den Haag


    Kassanna ontvangt de eedaflegging bij een huwelijk in het Haagse stadhuis (Bron: H. Poeze e.a. p. 317)

    Het centrum van de Perkoempoelan Islam in de oorlogsjaren was het woonhuis van voorzitter Kassanna (Obrechtstraat 220). De vereniging werd bij haar sociale en medische hulpverlening geholpen door studenten en afgestudeerden, zoals de artsen Abdoelrachman (eerder Roepi), Moerti Moerman en Soenarjo. Fondsenwerving werd gedaan door de jurist Zairin Zain (ook eerder Roepi) en de economen Soemitro Djojohadikoesoemo en Saroso Wirodihardjo. Deze groep oud-studenten van Leiden en Rotterdam waren voor onafhankelijkheid van Indonesië, maar hield zich in tegenstelling tot de Islam-vereniging buiten de Duits-Nederlandse verhoudingen. Op sociaal gebied was men echter pragmatisch. Soemitro en Saroso hielpen in het laatste oorlogsjaar de P.I.-groep Rotterdam bij de zorg voor de zeelieden van de Lloyd.

    Perhimpoenan Islam Den Haag
    De P.I.-groep Den Haag hield zich afzijdig van de islamitische Perkoempoelan. Men richtte zich onder leiding van de afgestudeerde jurist Soehoenan Hamzah, en gesubsidieerd door Ezerman, op de ondersteuning van oudere Indonesische vrouwen. Het waren vaak dienstbodes. Zij kregen boter, aardappelen en kleding. De Perhimpoenan was ook betrokken bij een ander Haags project: beoordeling van Indonesische en Chinese verzoeken om steun. De Leidse universiteit vroeg hiervoor naast de jurist Koesna Poeradiredja ook de arts Mohamed Ilderem, lid van de P.I.. Het comité-Poeradiredja wekte actief dergelijke steunverzoeken op. Vanaf september 1944 riep het, mede gesteund door Oost en West, Nederlanders op om Indonesische studenten gastvrijheid en een maaltijd te verlenen. En dat gebeurde.

    Anderen


    Donald Poetiray, met brief uit Buchenwald (10-8-1944). Bron: www.hermankeppy.nl

    Er waren, zoals eerder bleek, ook Indonesiërs die buiten een van de politieke of religieuze groeperingen om in verzet gingen. Daartoe behoorde de Molukker Donald Poetiray. Samen met de Indische Albert Spree, mede-sprinter van de 4 x 100 meter kampioensploeg van Vlug en Lenig (Den Haag), ondernam hij in 1942 de vlucht naar Engeland. Bij het Noord-Franse Compiegne werden ze opgepakt. Donald werd naar Buchenwald gestuurd, dat hij overleefde. Albert Spree stierf in juli 1943 in het kamp Ravensbrück.

    Collaboratie
    Naast verzet, oogluikende ondersteuning daarvan en volledige afzijdigheid was er soms ook sprake van samenwerking met de Duitsers. Het bekendste voorbeeld is de Madoerese hutbediende bij de Rotterdamse Lloyd Toemjati. Na ontslag bij de Lloyd nam het Koloniaal Instituut hem begin 1941 in dienst als verkoper en danser. In dat jaar was hij kort lid van de NSB, die hem als kleurling weer snel uitschreef. Begin 1943 richtte hij met zijn Nederlandse verloofde een eigen kunstgezelschap op, Sinar Laoet (Straal van de Zee). Het telde na enige tijd twintig Javanen en Madoerezen en bracht Gamelan-, Krontjong- en Hawaï-muziek, als ook dans ten tonele. Het Koloniaal Instituut vond de kwaliteit onvoldoende, maar Toemjati had succes. Hij trad tot eind 1944 regelmatig op, ook voor NSB-ers en in Duitsland.

    Verzet 1944-1945
    Het laatste oorlogsjaar, waarin het zuidelijke deel van het land bevrijd was, de spoorwegstaking veel lam legde en de Hongerwinter intrad, was ook een jaar van toenemend verzet en hardere Duitse repressie. De Perhimpoenan Indonesia ondernam nieuwe illegale activiteiten, en deed dit vaak samen met andere groepen.

    Onderdeel van de Illegaliteit

    De Waarheid van 26 april 1944 (Bron: geheugenvannederland.nl)

    Van de Amsterdamse groep waren het Setiadjit, Soeripno en Soenito die spraken met en schreven voor linkse illegale bladen, zoals de Vrije Katheder en de Waarheid. Voor de laatste twee werd ook drie à vier maanden het blad gedrukt. De Indonesiërs ontvingen op straat de getypte stencils en De Waarheid werd door hen afgedrukt in een woning in Amsterdam-Zuid. De kranten werden in een koffer gedaan en afgeleverd op een adres aan de Stadionweg. Daarnaast had de P.I. vermoedelijk overleg met de Raad van Verzet en er waren zelfs betrekkingen met de – niet erg Indonesisch gezinde - Trouw-groep. Acht studenten uit Leiden trainden met gewichten om in staat te zijn zonder zichtbare inspanning zetsel van Trouw te vervoeren. De mensen van deze ‘loodploeg’ werden de Amanoellah’s genoemd - naar een vernieuwingsgezinde emir van Afghanistan.


    Trouw van midden juni 1944 (Bron: markt12.nl)

    Toen op 4 juli 1944 op wens van koningin Wilhelmina en de minister-president de Grote Adviescommissie der Illegaliteit (GAC) werd opgericht, werd de Perhimpoenan Indonesia lid van de linkse sectie en Setiadjit hun afgevaardigde.

    Vrouwelijke P.I.-leden
    Djoedjoe Soetanandika hield vanuit het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis contact met Setiadjit. Van hem hoorde zij over een ter dood veroordeelde verzetsman op de isoleerafdeling, waar zij toevallig werkzaam was. Ze wist hem na zijn herstel van roodvonk te laten ontsnappen. De man was vermoedelijk lid van de Raad van Verzet (RVV). Andere vrouwen werkten vooral als koerier. Want mannen werden eerder opgepakt vanwege de jacht op degenen die zich aan de Arbeitseinsatz onttrokken. Bekende namen zijn: de juriste Toeti Soedjanadiwirja, Soetiasmi (Mimi) Soejono, de analiste Evie Poetiray en de rechtenstudent Trees Heyligers, verloofde van Soenito.


    Toeti Soedjanadiwirja, Soetiasmi Soejono, Evie Poetiray (Bron: Harry Poeze e.a. p. 321)

    Evie vertelt in het interview met Herman Keppy hoe ze illegale bladen per trein afleverde. Als ze van Den Haag naar Haarlem reisde en op een bepaald adres iets moest afleveren ging ze vroeg naar het station en zocht een nog lege wagon. Daar legde ze het pakket in het bagagenet en ging dan zelf in een ander stuk van de trein zitten. In Haarlem wachtte ze tot de trein bijna leeg was, haalde het pakket weg en stopte het in haar tas. Als ‘onnozel zwart meisje’ kwam ze wel door de controles heen. Dat lukte haar inderdaad.

    Nederlands P.I.-lid
    Abdoelmajid Djojoadhiningrat leerde in 1943 op het Koloniaal Instituut de biologiestudent Frits Bianchi kennen. Deze bleek een vurig voorstander te zijn van Indonesische onafhankelijkheid, ook in discussies met kennissen van Abdoelmajid. Tot Frits’ verrassing bood Soenito hem op een gegeven moment het P.I.-lidmaatschap aan. Hij accepteerde het, net als de bijbehorende discipline. Bianchi kreeg zo een aandeel in het Amsterdamse verzetswerk, van stencilen tot wapenoefening. Waarschijnlijk kun je ook Trees Heyligers als lid beschouwen. Na de oorlog verdedigde zij Indië-weigeraars als de bekende Piet van Staveren en Zaandammer Arie Buth (1927-2010).

    De Bevrijding
    Ook in Leiden werkte de P.I. nauw samen met Nederlandse verzetsgroepen en illegale bladen. Daardoor kon men ondanks de arrestaties in april 1944 rond het blad ‘Feiten’ (Den Haag) al in juni een nieuw blad uitgeven, dit keer in Leiden. Het heette provocerend ‘De Bevrijding’ en bevatte vooral nieuwsberichten. Dat de Perhimpoenan Indonesia verantwoordelijk was voor de uitgave bleek nergens uit, maar oudgediende Pamontjak was de hoofdredacteur. Hij werd bijgestaan door redacteuren Soeripno en Harahap (dominee), en door Ticoalu, Irawan Soejono, I.A. Mochtar en Rozai Koesoemasoebrata, die voor druk en verspreiding zorgden. Met steun van de Leidse illegaliteit werd het blad gestencild. Het verscheen drie keer per week in oplages van 3500, oplopend tot 20.000 aan het eind van de oorlog. Enorm dus. Irawan, ook wel ‘Henk van De Bevrijding’, deed de technische verzorging: machines, papier, radiotoestellen. Bij een razzia op 13 januari 1945 vluchtte hij op de fiets, maar werd dodelijk geraakt door een nazi-kogel.


    Illegaal blad De Bevrijding, ed. 28 april 1945, over de bevrijding van Indonesië (Bron: H. Poeze e.a. p. 326)

    Vanaf september 1944 kwam het blad ook uit in Den Haag. Want door de spoorwegstaking was het onmogelijk geworden koeriers met het blad naar andere steden te sturen. De niet-gearresteerde leden van de Feiten-groep waren met Daliloeddin verantwoordelijk voor de uitgave. De Haagse redactie nam alleen soms, per koerier, hoofdartikelen van de Leidse editie over. Men maakte een eigen keuze uit de oorlogsberichten en schreef enkele keren ook over Indonesië. De Haagse ‘Bevrijding’ bestond uit één vel, kwam drie keer per week tot dagelijks uit en had een oplage van 4000.
    Ook Rotterdam kreeg zijn eigen editie. Opnieuw was er bij uitgave en verspreiding steun van andere verzetsgroepen, maar de redactie bestond uit de economen Joesoef Moedadalam en Gondo Pratomo, broer van de in 1943 gearresteerde Djajeng Pratomo. De redactie wist met hulp van een ondergedoken Joodse verzetsman een radioluisterpost in te richten in een woning aan de Burgemeester Meineszlaan, zodat de redactie over de laatste berichten van de geallieerden beschikte. Gondo wist daarnaast een woning te huren aan de Aelbrechtskade, waar een stencilmachine kon worden geïnstalleerd. Daarmee konden ‘De Bevrijding’ en later de Rotterdamse editie van ‘De Vrije Katheder’ worden gedrukt, evenals tijdelijk ‘De Waarheid’. Hier kon eveneens de centrale leiding van de P.I. worden ontvangen. Soenito en Daroesman kwamen voor besprekingen. Setiadjit dook er een paar maanden onder.

    Gewapend verzet
    Djajeng Pratomo vertelde in 2014 het volgende over de start van het gewapende verzet. De Rotterdamse economiestudent Joesoef Moedadalam zat in een Nederlandse K.P.-groep, ofwel knokploeg. Deze deed in 1944 een geslaagde overval op een politiepost, waarbij men vier Waltherpistolen bemachtigde. Later kregen de Indonesiërs in Rotterdam via het Nederlandse verzet nog meer wapens, zoals twee karabijnen en vijf pistolen, met bijbehorende munitie. Ze waren afkomstig van bij Nederlanders ondergedoken Wehrmacht-soldaten, die genoeg hadden van de oorlog. De Indonesiërs werden door een van hen, een ‘Gefreiter’, getraind in het gebruik van deze wapens. Moedadalam nam ook deel aan een overval op een distributiekantoor van levensmiddelenbonnen in den Haag. De overval werd uitgevoerd per fiets. De actie slaagde, maar op het verzamelpunt werd de ondergrondse overvallen door de Duitsers. Joesoef wist te ontkomen met medeneming van zijn machinegeweer en andere wapens. Later kon de Rotterdamse P.I.-groep nog negen jutezakken handgranaten, gedemonteerde stenguns en munitie met een bakfiets ophalen bij een Nederlandse verzetsman in de Watergeusstraat. De wapens waren afkomstig van droppings door de R.A.F.. De P.I. was dus goed voorzien.


    Jusuf Muda Dalam, minister en bankgouverneur onder Soekarno (1964) (Bron: pekerjamuseum.blogspot.com)

    Binnenlandsche Strijdkrachten (B.S.)
    Deze koepel van strijdende verzetsbewegingen had in Leiden een studentensectie. Deze sectie was opgericht door Soeripno en kende vier groepen. Eén daarvan werd bemand door de Perhimpoenan Indonesia. De groep werd genoemd naar de Indonesische held Soerapati en stond onder leiding van Ticoalu ofwel ‘Theo’. De P.I. hechtte er sterk aan om onderdeel te zijn van de Nederlandse vrijheidsstrijd en zorgde voor tien leden. Bij een gewapende bevrijding van de stad zou hun taak de bezetting van het Leidse station zijn. Vanwege de capitulatie is het daar niet van gekomen.
    Gedeeltelijk kwamen de leden uit andere steden: Moorianto Koesoemo Oetoeyo uit Rotterdam, Rozai Koesoemasoebrata en Djalal Moechsin uit Amsterdam. De P.I.-ers hadden vaak ervaring met spionage en sabotage opgedaan in de Knokploegen (K.P.). Djajeng Pratomo vertelt hoe de voorraad wapens die de Rotterdamse groep met Moedadalam had verzameld ‘per fiets, langs sluikwegen en langs Duitse controleposten naar Leiden werd overgebracht. De Indonesiërs oefenden in Leiden in een der kelders van een wol- en lakenfabriek’. Na de dood van Irawan Soejono noemde de Leidse groep zich ‘Irawan’, en zo namen ze ook deel aan de Bevrijdingsparade.
    Evie Poetiray vertelde aan Herman Keppy dat ze na de dood van Soejono door de beweging naar Oegstgeest (Leiden) werd gestuurd. Daar zaten acht P.I. studenten ondergedoken. Ds Frits Harahap was een van hen. Ze zaten in het verzet en hadden de opdracht om distributiekantoren te overvallen en voedselbonnen te stelen. Vermoedelijk ging het dus om de mensen van de B.S.-groep. Evie was daar geen lid van - haar verloofde, Siantoeri, was in Amsterdam wel bezig met wapenonderricht - evenmin als verpleegster Djoedjoe (‘Juju’) Soetanandika, die voor de voedselvoorziening en verpleging van de studenten zorgde. Evie deed in Leiden koerierswerk. Ze ging na 21 uur, onder Sperrtijd, met pakketten vol kopij van illegale bladen de straat op. Het ging om Vrij Nederland, De Waarheid en Trouw. Ze moest de kopij afleveren bij een geheime drukkerij. Irawan Soejono was juist bij dit soort werk doodgeschoten.

    Hongerwinter


    Setiadjit en Elly Setiadjit-Soumokil (ca. 1943) (Bron: H. Poeze e.a. p. 306)

    Evie Poetiray vertelt nog meer over Oegstgeest. Het was hartje winter en iedereen had honger. Haar reis was samen met vijf andere studenten geweest, op fietsen zonder banden. De drie jongens trapten, de meisjes zaten achterop. Elly Soemokil, de vrouw van Setjiadit, had een drie maanden oud kind, maar dat had ze naar een nicht in het Wilhelmina-gasthuis gebracht. Ze wilde per se mee naar Leiden. Daar aangekomen ging ze direct naar de keuken om te kolven. Juju zei onmiddellijk: ‘niet weggooien!’ Want het was de enige melk in Oegstgeest. En zo kregen de jongens twee keer per dag ‘kopie susu’, koffie met melk. Geruild met de ‘tukang susu’ (melkboer) voor lakens, zei Juju. Totdat Elly na een week weg was. ‘Waar is de melk gebleven’, vroegen de verzetsstrijders. ‘Onze melkkoe is terug naar Amsterdam’, zei Juju. Ze schrokken zich wild, maar Juju en Evie lachten.

    Leiden
    De leiding van de P.I. hechtte groot belang aan de aanwezigheid in de regio Leiden, die door de sluiting van de universiteit sterk was afgenomen. Zowel de B.S.-groep als de uitgave van ‘De Bevrijding’ pasten in die visie. Hoofdkwartier voor beide activiteiten was het huis van hoofdredacteur Pamontjak. Daar stond een stencilmachine, werd de Engelse radio beluisterd en verzamelde men zich om in de kelder van een naburige wolfabriek militaire training te doen. Een tweede centraal punt, ook voor andere verzetsgroepen, vormde de woning van Hadiono Koesoemo Oetoyo, de broer van de B.S.-er. Hij hield zich bezig met onderduikadressen, levensmiddelen-voorziening, vervalsingen en de medewerking aan verschillende illegale geschriften. Op zolder had hij een stencilmachine. De sporen van het gebruik ervan wiste hij steeds zorgvuldig uit; gebruikte moedervellen werden verbrand. Als erkenning van de rol in het verzet werd Hadiono in mei 1945 tot lid van de Leidse nood-gemeenteraad benoemd.

    Amsterdam
    Amsterdam kende overigens ook een, kleinere, Indonesische B.S.-groep, onder leiding van Soenito. Hier oefende men, getuige Pratomo, in een woning aan de Amstelkade waar de verloofde van een der studenten woonde; het gaat vermoedelijk om Trees Heyligers. In tegenstelling tot de Leidenaars moesten zij bij gebrek aan mankracht vlak voor de Bevrijding stoppen.


    Soenito Djojowirono en Trees Heyligers op 15 febr. 1945, hun huwelijksdag (Bron: De Antifascist, aug. 2008, www.afvn.nl)

    Hongertochten
    In Leiden werden ook de inspanningen van Indonesische studenten en arbeiders uit Leiden en Den Haag gecoördineerd om in de Hongerwinter aan voedsel te komen. Men ging tot aan Den Helder (100 km) en had redelijk succes. De tengere figuren uit het warme Indië wekten medelijden op. Zo werd een boot met liefst 7,5 ton peen met de hand van Hillegom naar Leiden gesleept. De vaart lag naast de spoorlijn, die door de geallieerden werd beschoten. Gelukkig bleef iedereen ongedeerd en bereikten de wortelen Leiden en, voor de andere helft, Den Haag.


    Soenito in de namenlijst van de Nationale Adviescommissie
    (Bron: Vrij Nederland 4-8-1945)


    Na de bevrijding
    In de grote Amsterdamse bevrijdingsparade van 8 mei 1945 liepen ook vertegenwoordigers van de Indonesische studentenorganisatie mee, terwijl de P.I. op de tribune werd vertegenwoordigd door Setiadjit Soegondo, lid van de Grote Advies Commissie der Illegaliteit. Soenito Djojowirono werd opgenomen in Nationale Adviescommissie van het Voormalig Verzet die belast was met het aanvullen van vrije zetels in de Tweede en Eerste Kamer. Na 5 mei onthulde de Leidse ‘Bevrijding’ dat het blad onder verantwoordelijkheid van de Perhimpoenan Indonesia was uitgegeven. Het blad publiceerde nog een extra ‘Welcome to our Allies’, een overzicht van de 5 gevallen en de 68 overleden Indonesiërs, en tenslotte een manifest over de te bereiken onafhankelijkheid van Indonesië.


    Bevrijdingsparade Breestraat Leiden met de groep Irawan. De laatste twee in de linkerrij zijn resp. Moorianto Koesoemo Oetoyo en Ticoalu (Bron: H. Poeze e.a. p. 323)

    Onafhankelijkheid
    Deze zou moeilijker en bloediger blijken te bereiken dan men op grond van de samenwerking tegen nazi-Duitsland had mogen verwachten. Dat was al gebleken bij de plotselinge dood van Ario Adipati Soejono, vader van Irawan, en minister in het oorlogskabinet: zijn pleidooi voor onafhankelijkheid vond geen gehoor; hij stierf op 5 jan. 1943 in Londen aan een hartaanval. Verschillenden van de verzetstrijders speelden een belangrijke rol in de onderhandelingen met Nederland – beide partijen kenden elkaar vaak persoonlijk. Er waren na mei 1945 ook vier Indonesiërs lid van het Nederlandse parlement, twee vooroorlogse: Effendi en Palar, een nieuw: Setiadjit en Pamontjak (E.K). Sommige verzetsstrijders werden in 1948 als onwelkome communisten door de republiek geëxecuteerd, onder hen Setiadjit. Anderen zouden na 1949 belangrijke functies in de regering van Indonesië vervullen.

    Djajeng Pratomo citeert aan het eind van zijn artikel over het verzet Prof. Mr. R. P. Cleveringa, die in november 1941 in Leiden het sein gaf tot heftig protest tegen het ontslag van Joodse collega’s. Deze zei op de bijeenkomst ter herdenking van 37 jaar Indonesische Nationale Beweging: ‘Waar er sprake was hier in Nederland van verzet, behoefden wij niet te vragen: Waar zijn de Indonesiërs. Zij waren er en stonden op hun post. Zij hebben hun offers gebracht. Zij waren in de concentratiekampen, zij waren in de gevangenissen, zij waren overal…..’(Stadsgehoorzaal Leiden, 25 mei 1945).

    Bronnen
    - Harry A. Poeze, met bijdragen van Cees van Dijk en Inge van der Meulen, In het land van de overheerser, deel I, Indonesiërs in Nederland (1600-1950). (Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, KITLV, Dordrecht 1986), 398 p.
    - Raden Mas Djajeng Djajang Pratomo, In dienst van de vrijheid. Uit: De rechten van het verzet, 1986, zie: http://javapost.nl/tag/djajeng-pratomo (15 feb. 2014)
    - Herman Keppy, Nederlands-Indië tegen Duits-Nederland, op www.Hermankeppy.nl
    - Herman Keppy, Interview met Evie Poetiray 14-2-2010, zie http://getuigenverhalen.nl
    - Anoniem. ‘Eerst Nederland bevrijden, dan Indonesië’. Indonesische verzetsstrijders actief in Nederland tijdens Tweede Wereldoorlog. De Anti Fascist augustus 2008, p. 21-22, op www.afvn.nl
    - Herman Burgers, De Garoeda en de Ooievaar. Van kolonie tot nationale staat. KITLV, Leiden 2011, p. 441
    - Alam Darsono, Het zwijgen van de vader (Stichting Alam Darsono 2008). www.alamdarsono.nl/eigen%20activiteiten/homeeigen.html
    - Jeroen van Driel, e-mail 14-12-215; http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn5/palar; https://socialhistory.org/bwsa/biografie/palar


    Nederlands Indië onder Japanse bezetting


    Kaart: stuwww.uvt.nl

    De capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 maakte een einde aan wat de Tweede Wereldoorlog wordt genoemd. Deze capitulatie werd in Nederland pas in 1970 officieel herdacht, eenmalig. De aandacht was tot dan toe sterk op de gebeurtenissen in het eigen land gericht geweest. Er was alleen in 1950 een urn met Indische aarde bijgezet in het monument op de Dam. Vanaf 1980 wordt de 15-augustus herdenking elk jaar gehouden en sinds 1988 is er een eigen monument voor de Nederlandse slachtoffers van de wereldoorlog in Azië, het Indische monument in Den Haag. Het geld ervoor werd door de slachtoffers zelf bijeengebracht. Ook op andere plaatsen, zoals Arnhem-Bronbeek, Roermond, Amstelveen en Den helder kwamen monumenten en/of herdenkingen. Tenslotte werd in 1999 de datum van 15 augustus als een historische dag erkend: het einde van de Tweede Wereldoorlog. Het laatst gestichte monument (Bronbeek, 17 augustus 2004) herdenkt de duizenden slachtoffers van de Japanse gevangenentransporten over zee.

    Bezetting
    De Japanse capitulatie maakte ook een einde aan de Japanse bezetting van het toenmalige Nederlands-Indië. Na de aanval van Japan op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor (Hawaï) en de daarop volgende Amerikaanse oorlogsverklaring (8 december 1941) breidde de Japanse oorlogsvoering zich van China uit naar de Aziatische gebieden van Engelsen, Amerikanen, Nederlanders en hun bondgenoten. Delen van het Indonesische eilandenrijk werden al in januari en februari 1942 aangevallen. Op 27 februari vond de slag in de Javazee plaats: onder leiding van de Nederlandse admiraal Karel Doorman streden de geallieerden een wanhopige strijd tegen de veel beter uitgeruste en voorbereide Japanners (zie ook Suriname, KNIL). Op 1 maart 1942 begon de verovering van Java, op 8 maart capituleerde het koloniaal gezag.

    De bezetting van Nederlands Indië (door ongeveer 300.000 Japanse en Koreaanse militairen en ambtenaren) werd door een deel van de inheemse bevolking toegejuicht. Het nationalistische deel van de elite werkte samen met Japan: het zou onafhankelijkheid van het Nederlandse juk brengen. Inderdaad werd de basis voor een onafhankelijk land en leger (‘Peta’) gelegd. Anderen wantrouwden de motieven en de methodes van de Japanse bezetting en waren minder enthousiast. Vooral Molukkers, Manadonezen (Sulawesi) en Timorezen pleegden actief verzet (zie verhaal Litamahaputty).


    Een talisman die door familie, vrienden en kennissen aan een Japanse soldaat werd meegegeven. Het staat vol met de namen, al dan niet voorzien van wensen en aanmoedigingen, van deze mensen. De grote tekst aan de rechterkant van de vlag luidt: "Ter ere van de heer Tirasaki Hiroharu" en daarnaast "Houdt moed". Hem toegewenst door Narita Kinjuro, die wellicht de initiatiefnemer was. De kans is zeer groot dat Tirasaki Hiroharu een kampbewaker is geweest omdat de vlag door een ex-gevangene is meegenomen naar Nederland - www.museumverbindingsdienst.nl/leven3.html

    Onderdrukking
    Het grootste deel van de 70 miljoen inwoners, ‘het volk’, ‘rakyat’, was ongeletterd, onderging de bezetting en leed er in toenemende mate onder. Bijna alle mannen werden op een of andere manier te werk gesteld, vaak als ‘dwangarbeider’, ‘romusha’, of als hulpsoldaat, ‘heiho’. Honderdduizenden werden daarbij naar andere delen van de Archipel, naar Nieuw Guinea, Birma, Siam, de Filippijnen of Japan gedeporteerd. Veel vrouwen werden gedwongen als prostitué, ‘troostmeisje’ (‘yugun ianfu’) dienst te doen voor de Japanse militairen. Boeren moesten verplicht rijst leveren. De militaire politie, ‘kempetai’, voerde her en der een schrikbewind. De economische situatie werd toenemend slechter. Vanaf 1945 ontstond nijpend gebrek aan voedsel en textiel.

    Indonesische troostmeisjes
    Ruim 20.000 Indonesische, Indo-Europese en ook Nederlandse vrouwen werden tijdens de bezetting van Nederlands-Indië gedwongen tot seksuele dienstverlening aan Japanse militairen. Na de oorlog moesten hun verhalen te lang verborgen blijven. Uit schaamte, vanwege de seksuele beladenheid. Of uit eerbied, in het geval van Indonesische vrouwen, omdat Japan het land hielp bevrijden en onafhankelijkheidsstrijders de Japanse wreedheden niet onder ogen wilden zien. Fotograaf Jan Banning (maakte eerder ‘Sporen van oorlog: overlevenden van de Birma- en de Pakanbaroe-spoorweg’) en journaliste Hilde Janssen startten daarom in 2008 het project ‘Troostmeisjes in Indonesië’, een serie portretten, in foto’s en tekst, van de voormalige dwangprostituees. In Indonesië worden twintig vrouwen intensief geïnterviewd (oral history) en gefotografeerd. De portretten komen samen in een boek en een reizende tentoonstelling (bron: www.v-fonds.nl/pagina_202.html).


    Wainem (foto: Jan Banning, tekst: Hilde Janssen)

    Wainem, 1925, Mojogedang - Midden-Java, werd weggehaald van huis en tot prostitutie gedwongen, eerst een jaar in Solo en vervolgens in Yogyakarta. Ze moest overdag in een loods met andere vrouwen matten vlechten en eten koken. Ze werden soms ter plekke verkracht, maar meestal door soldaten meegenomen naar hun kamer op het kazerneterrein. "Een Indonesische dokter onderzocht elke week of we zwanger waren, terwijl een Japanner toekeek. Ik ben toen nooit in verwachting geraakt." Na de oorlog liep ze samen met een groep vrouwen zo'n honderd kilometer naar huis. "Onze mensen hebben de Japanners verjaagd met bamboesperen. Ze pikten alles in: onze rijst, ons geld, ons goud. Als 's avonds het luchtalarm ging en wij ons verstopten, gingen de Japanners onze huizen in en haalden ze leeg." Ze wil liever niet meer herinnerd worden aan wat er in die loods gebeurde. "Dat is al zolang geleden. Mijn zoon, die toen nog niet geboren was, heeft nu al kleinkinderen." (bron: http://nos.nl/artikel/152957-niet-mijn-bedoeling-deze-troostmeisjes-als-zielepoten-te-fotograferen.html)

    Internering



    De 300.000 Nederlanders en andere Europeanen in de kolonie, blanken (‘totoks’) en kleurlingen (‘Indo’s’), zagen de Japanse overheersing in meerderheid als vergelijkbaar met wat de Duitsers in Nederland hadden gedaan. Enkelingen zagen echter dat het koloniale bewind op zijn einde liep of sympathiseerden met het Indonesische streven naar onafhankelijkheid.

    Zoals Duitsers in Suriname en de Nederlandse Antillen – vaak anti-nazi’s en joodse vluchtelingen – vanaf mei 1940 in interneringscentra werden opgesloten (zie daar), en zoals Japanse burgers in de Verenigde Staten vanaf 9 december 1941 werden geïnterneerd, zo verging het ook een deel van de hoogopgeleide Europese bovenlaag in de westerse kolonies van Azië. Hun lot was echter beduidend slechter. Ongeveer 16.800 van de 100.000 geïnterneerden haalden het eind van de Japanse bezetting niet, ofwel een zesde van de kampbevolking (zie ook artikel Liesker en Slors).

    In vergelijking met de bezette Engelse en Franse koloniën werd in Nederlands-Indië het grootste aantal burgers geïnterneerd: ongeveer 100.000. Van hen waren 35.000 jonger dan zeventien. Er waren aparte vrouwenkampen, waar ook de jongere kinderen bleven; daarnaast waren er jongenskampen.

    Subkampen voor religieuzen

    Minder bekend is misschien dat er ook subkampen met religieuzen waren, zoals bijvoorbeeld in het kamp Blitar op Oost-Java en in het kamp Kuching in het Maleisische deel (Serawak) van Borneo. Hieronder volgt informatie die verband houdt met kamp Kuching.

    De aanval van de Japanners op Java begint op 1 maart 1942. Andere eilanden, zoals Borneo, worden al veel eerder aangevallen, sommige regio's vlak na het bombardement van 8 december 1941 op Pearl Harbour.

    Uit het in steno geschreven dagboek van broeder Bernulfus Bosman van de Broeders van Huijbergen:
    “19 december 1941. De oorlog begint hier (Pontianak (Kalimantan, Z.-Borneo)) verwoestend. Terwijl we over de galerij van de school lopen, horen we vliegtuigen. Er is geen luchtalarm. Een bombardement op de Chinese wijken volgt. De Hollands-Chinese school krijgt een voltreffer: de lagere klassen liggen in puin (de kinderen waren al naar huis gestuurd) en onder de oudere leerlingen zijn 15 doden te betreuren. In de stad zijn honderden slachtoffers en grote branden. Alle broeders werken dag en nacht om hulp te bieden. Pontianak wordt een dode stad. Op 27 januari 1942 bezetten de Japanners Singkawang (ongeveer 100 km ten noorden van Pontianak). Twee dagen later is Pontianak aan de beurt. De broeders krijgen huisarrest en prikkeldraad vlak langs het huis. We kunnen niet eens in de tuin komen. Steeds staat er een man of vijf op wacht. Het broederhuis in Pontianak wordt steeds voller, omdat alle gevangengenomen ambtenaren in het binnenland hier worden afgeleverd. Na een paar maanden zijn er meer dan 100 bewoners in een broederhuis dat vroeger al te klein was voor 15 man.”

    Kuching (toenmalig Engels Borneo, Serawak)


    Kamp Kuching (tekening: Broeders van Huijbergen)

    In juli 1942 worden de broeders uit Singkawang en Pontianak (Kalimantan) ondergebracht in een interneringskamp bij Kuching (ruim 200 km ten noordoosten van Singkawang). Het kamp heeft bijna 3000 inwoners, waarvan de helft in de loop der jaren overlijdt. Het kamp bestaat uit 10 onderafdelingen waaronder een afdeling van zo’n 100 religieuzen (waaronder ook missionarissen). De zusters zijn, niet apart, in de vrouwenafdeling ondergebracht. De kampbewoners moeten hard werken: ze moeten het vliegveld uitbreiden en wegen aanleggen, terwijl ze steeds minder te eten krijgen. Vooral in 1945 sterven veel gevangenen aan uitputting, dysentrie en hongeroedeem.


    Kamp Kuching met zwaaiende mannen vlak voor de bevrijding (Broeders van Huijbergen)

    Op 25 maart 1945 komt een eerste teken van hoop: tijdens de mis komen hoog in de lucht twee blinkende Amerikaanse bommenwerpers overvliegen. Iedereen duikt de loopgraven in maar de bommenwerpers werpen pamfletten uit. Het kampleven in Kuching duurt echter nog bijna een half jaar. Op 11 september 1945 worden de overlevenden bevrijd. Daarna kunnen de overlevenden een paar maanden aansterken op het eiland Labuan voor de kust van Brunei. De broeders bivakkeren op het strand, 10 meter van de zee. Degenen die het meest hebben geleden, liggen in een veldhospitaal om aan te sterken.
    Al in december 1945 kan de Handelsschool in Pontianak weer starten (dankzij de hulp van veel oud-leerlingen) en in januari begint het lager onderwijs weer.

    Het
    verhaal van broeder Angelus van der Zanden over zijn oorlogservaringen in de gevangenis in Kediri, het mannenkamp Tjimahi en het kamp Blitar (Java) is elders op deze website opgenomen.

    1 dode, 1 beschadigde
    Uiteindelijk zal nog in 1946 broeder Claudius Sommen vanwege de geleden ontberingen in het kamp aan dysentrie overlijden. Broeder Ireneus van de Avoird heeft het de rest van zijn leven erg moeilijk gehad met de mensonterende behandeling die hij steeds kreeg omdat hij het altijd voor zijn medebroeders in het kamp opnam.

    Na 15 augustus 1945
    Na de bevrijding van de Japanse bezetting stevent het koloniale Nederlands-Indië op zijn ondergang af. De onafhankelijkheidsstrijd wordt vooral op Java uitgevochten. De Broeders van Huijbergen op zuidelijk Borneo merken er vrijwel niets van. Na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 krijgen ze te maken met nieuwe verhoudingen. De voertaal wordt Bahasa Indonesia en er komen andere schoolboeken. Tenslotte moeten ze in december 1951 kiezen of ze de Indonesische nationaliteit willen hebben. Degenen die Nederlands staatsburger blijven, zullen na 1960 formeel geen les meer mogen geven. De bisschop van Pontianak adviseert alle religieuzen om ‘zich aan te passen aan het volk’, maar laat iedereen vrij in zijn beslissing. Uiteindelijk neemt de helft van de Broeders van Huijbergen het Indonesisch staatsburgerschap aan.

    Noot: De congregatie van de Broeders van Huijbergen
    De congregatie van ‘De Broeders van Huijbergen’ is in 1854 in het Brabantse dorp Huijbergen gesticht. Vanaf 1888 kwam voor de Orde de nadruk op ‘goed onderwijs’ te liggen en er ontstonden binnen de kortste tijd broederscholen voor lager en voortgezet onderwijs. Al in 1892 zette men een eigen onderwijzersopleiding op.
    In 1921 vertrokken de eerste broeders naar Nederlands-Indië, waarbij het zwaartepunt van de missie opnieuw bij het onderwijs kwam te liggen. De orde is nog steeds werkzaam in Indonesië (2017).

    Bronnen
  • Huijbergen en de uiteinden der aarde – De broeders van Huijbergen 1854-2004, Rob Wolf, eigen uitgave van de Broeders van Huijbergen 2004
  • De Broeders van Huijbergen een halve eeuw werkzaam in Indonesia – 1920-1970, eigen uitgave van de Broeders van Huijbergen 1970.
    M. Eijkhoudt

    Oorlogsdagboek Borneo - Zusters van Etten

     
    ‘Borneo’, kalender 2016, Bakker & Rusch, Schoolkaarten van toen (‘Onze Aarde’ ca. 1950)

    Als de Broeders van Huijbergen uit Pontianak op 16 juli 1942 aankomen in het Kuching kamp – ook wel Batu Lintang genoemd – zijn de Zusters van Etten er net drie dagen. Ze komen van het Sint Franciscusklooster uit Sambas, niet ver van de grens met Brits Borneo, en hebben al veel meegemaakt. Dat weten we dankzij hun dagboek. Het is een anoniem geschrift, zoals in kloosters vaak gebruikelijk, maar uit de tekst is de naam van twee belangrijke auteurs af te leiden: zuster Elisabeth en Moeder Sophie. Het schrijven zelf, het tijdelijk stoppen ermee en het overnemen door anderen, is een verhaal op zich.


    Foto van de communiteit in 1939, tijdens het bezoek van Moeder Chantal uit het Ettense moederklooster. Enkele zusters uit 1942 staan er niet op. Foto: dagboek na p.16

    Dagboek
    Op 3 juli 1942 zou zuster Elisabeth (72) van Moeder Sophie (63) haar in december begonnen aantekeningen hebben moeten verbranden. Bij ontdekking zouden ze teveel gevaar opleveren. Tien dagen later, in kamp Kuching, krijgt de overste spijt en kan de zuster, “met moed en de hulp van mijn Engelbewaarder”, weer gaan schrijven. Ze begint op 8 december 1941, en het lijkt zeker dat ze daarbij haar oude notities tevoorschijn haalde. Uit de gedetailleerdheid waarmee ze de gebeurtenissen van de voorbije maanden beschrijft, blijkt dat ze het eerdere dagboek niet heeft verbrand.

    Marcus von Uslar
    Het gevaar van het schrijven waar Moeder Sophie op doelt is echter niet loos. Het dagboek geeft de reden uitgebreid weer op 27 en 28 januari, 17 juni en op 2 juli, de dag vóórafgaand aan het verbrandingsbevel. Marcus Ernst von Uslar (Bern, 14-6-1903) is een Nederlander van Zwitserse komaf met wie de zusters goed contact hebben. Hij wordt eind januari 1942 met controleur Bum, de pastoor en broeder van Sambas en de zieke pater Kwadekker door de bezetters opgepakt en naar de kuststad Pemangkat gebracht. Na een paar dagen zijn de laatste vier terug, vrij. In de tussentijd is er een uitslaande brand in het centrum van Sambas geweest, de ‘pasar’, waarbij duizenden mensen dakloos worden. Vijf maanden later, op 17 juni, wordt von Uslar opnieuw gearresteerd en in de bajes gegooid. De zusters en de pastoor zitten daar al een maand en zien hem komen. Zijn moeder, een Zwitserse onderdaan van een neutrale staat, volgt drie dagen later, na een gewelddadige huiszoeking. Moeder en zoon mogen in de gevangenis niet met elkaar spreken. Intussen wordt zonder dat ze het weten (maar de zusters horen het wel) hun huisraad door de Japanners bij opbod verkocht en er volgt meer.


    Gedeelte van de Pasar (‘markt’) van Sambas (ca 1928) Coll. wereldculturen RV-10771-36

    Laatste uur
    Op 2 juli komen 20 bewapende soldaten naar de gevangenis. Ze pakken touw van de zusters, binden Marcus von Uslar vast en trekken hem aan het koord rond zijn middel de straat op. Hij is blootshoofds en blootsvoets en heeft alleen gevangeniskledij aan, een kort broekje. Voor hem uit wordt een plank aan een stok gedragen waarop staat: ’Deze slechte Duitser heeft de pasar afgebrand’. Von Uslar wordt drie uur lang van kampong naar kampong en over de markt gesleurd en daarna langs de gevangenis naar het kerkhof. Hij mag niet met zijn doodsbange moeder spreken. Aan de rand van een net gedolven graf wordt hij doodgeschoten. Mevrouw von Uslar hoort de schoten gelukkig niet. Ze denkt dat haar zoon naar de havenplaats Singkawang is gevoerd.
    Maar de zusters horen de schoten wel en begrijpen van medegevangenen, die de kuil hebben moeten dichten, wat er is gebeurd. Ze denken niet anders dan dat zij nu aan de hun beurt zijn. Ze doen zo verdekt mogelijk hun biecht bij de pastoor, vernieuwen hun kloostergeloften en luisteren naar Moeder Sophie die de gebeden voor de stervenden opzegt. Toch gebeurt er niets. “ ...ons uur was nog niet gekomen.” Kort daarna worden de zusters weggehaald uit hun cel. Op 13 juli moeten ze per boot naar het Maleisische Kuching, waar een kamp geopend is voor Europeanen.

    Schrijven in Kuching
    Zuster Elisabeth mag daar, nu levensgevaar geweken lijkt, de pen weer opnemen. In de vrome en nauwkeurige taal van haar generatie doet Anna Catharina Swagemakers (Nieuw-Vossemeer, 14-6-1870) – zo waren haar wereldse personalia - verslag van de gebeurtenissen in Sambas en het kamp. Hulp van boven kan ze overigens ook zonder incidenten van buiten gebruiken, want op 30 maart 1941 heeft ze in het klooster een lichte hartaanval gehad. De pastoor dient haar de Laatste Sacramenten toe en die hadden geholpen. Twee jaar later, februari 1943 in Kuching, maakt ziekte het schrijven haar definitief onmogelijk. Het dagboek stopt niet. Moeder Sophie neemt het schrijven over tot eind augustus, wanneer het opnieuw te gevaarlijk wordt. Na een pauze tot midden november zet een medezuster, met grote onderbrekingen, het dagboek voort. Mogelijk is het zuster Floriberta die eerder al een eigen dagboekje schreef. Op 22 mei 1945 overlijdt haar voorganger zuster Elisabeth. Het dagboek van de zusters eindigt op 22 juli 1946 met pakketten die van vele Nederlandse kloosterhuizen in Sambas zijn aangekomen. “Nu voelen we ons weer allemaal één.”

    Boekje
    De aantekeningen overleven bezetting, gevangenis, kamp, bevrijding en terugkeer naar Sambas. Ook de communiteit in Pemangkat, vermoedelijk in de persoon van Moeder Eucharia, had een kort verslag geschreven. Het beslaat het eerste half jaar onder Japanse bezetting. Van beide documenten maakt de congregatie van Etten een boekje met 144 dicht bedrukte pagina’s: ‘De Zusters van Etten in gevangenschap en in het Concentratiekamp der Japanners op Borneo’. Negentig bladzijdes stammen van zuster Elisabeth. Hieronder volgen elf situaties op basis van het boekje.

    1. Het klooster onteigend


    School, ziekenhuis en klooster Sambas. Foto: Dagboek, naast p. 33

    Bezetting
    In Sambas, de hoofdplaats van het gelijknamige regentschap, hebben de zusters hun klooster, het ‘zusterhuis’. Vandaar uit leiden zij een school en een ziekenhuis. Beide worden na de komst van de ‘Jappen’, op 27 januari 1942, in beslag genomen. Europese mannen, ook geestelijken, worden gearresteerd, vrouwen en meisjes worden bedreigd. De Maleise bevolkingsgroep kiest merendeel de kant van de Japanners – hoewel de sultan, Muhammad Ibrahim Shafiuddin II, hen tegenwerkt - en sommigen beginnen met plunderen.
    Gelukkig is er een katholiek onder de Japanse officieren. Hij maakt Japanse opschriften met ‘verboden toegang’ die de zusters op hun tijdelijke onderkomen in het bos kunnen plakken. Begin maart 1942 kunnen alle zusters terug naar hun klooster, in het besef dat geen enkele van hun bezittingen nog van hen is. De sultan heeft op last van de bezetter medegedeeld dat deze het Japanse leger toebehoren. Verder mogen de zusters geen contact met de bevolking hebben, brieven schrijven of Sambas verlaten. Bij overtreding is het “doodschieten of het hoofd eraf” (p.16).


    Pater en arbeiders in rubbertuin Missie Sambas (ca. 1928). Foto: collectie.wereldculturen 10771-72

    Japanse vrienden
    Nadat de verpleegsters onder de zusters een paar zieke ‘Japse’ soldaten, en ook de commandant - door hen ‘Snorrebaard’ en ‘Nicodemus’ genoemd - met succes in het ziekenhuis behandeld hebben, wordt de houding tegenover de kloosterlingen iets beter. Er is opnieuw een katholiek bij de Japanners, de wachter Johannes. “16 maart: ... Alle dagen wandelde hij op de cementen weg om kans te hebben Moeder [de overste] even te groeten. Je kon merken dat hij medelijden met ons had om ons spannend leven’. De feestdag van St. Joseph, patroon van het moederhuis ‘Withof’ in Etten, wordt drie dagen later met meer vertrouwen herdacht. (...) Hoe zou het in bezette Nederland zijn? ‘Zouden ze in Withof ook maar iets kunnen gedenken?’ (p.18).

    Boeddha
    In april 1942 laat de Japanse staf de katholieke kerk sluiten. De buitendeur wordt niet dichtgespijkerd, want de kerkklok is nodig. De pastoor mag de Mis opdragen in de kloosterkapel. Daar vernieuwen de zusters, zoals elk jaar, hun kloostergeloften. Moeder Sophie, de overste, voorziet nog veel problemen. “Als we maar bij elkaar mogen blijven en samen de berg van Golgotha [waar Jezus gekruisigd werd, red.] mogen bestijgen”, zeggen de zusters. Het gezamenlijk voortzetten van de gewoonten en rituelen van het klooster zal hun redding moeten zijn. Niet veel later wordt er tegenover de kerk een groot Boeddhabeeld op een troon geïnstalleerd met het opschrift: ‘Hier woont de god van Sambas’. De schrijfster, evenals de geestelijke naar Borneo gekomen om de zielen van de mensen van ‘afgoderij’ te redden, verzucht: “Ik geloof niet dat ooit een beproeving onzen pastoor meer getroffen heeft en dieper hem gewond heeft. Doch wat vermag men tegen zo’n vijand?” (p. 23).

    Werken voor de ‘Jap’
    Hierna zijn de Japanners weer wat toegevender. Moeder Sophie mag met zuster Thaddée naar de kustplaats Pemangkat om een nieuw gebit te bestellen en tegelijk het ‘Ettense’ Sint Theresiaklooster daar te bezoeken. “Wat moest er veel verteld worden!” Vervolgens komen er 30 soldaten op koffie-met-gebak bij de nonnen. ‘Snorrebaard’ betaalt de gemaakte kosten rijkelijk. Maar hierna, in de aan de Maria toegewijde meimaand, slaat het klimaat weer om. Er komen soldaten naar de eetzaal om de zusters aan het werk te zetten. Ze moeten witte broeken en hemdjes naaien want de militairen zien er slordig en verwaarloosd uit. De beste naaimachine pikken ze in. Daarna nemen ze de keuken in beslag en spelen de baas over de kachel. Alles is het hunne. En het kan erger.


    Bij de naaimachine: 1e rij vlnr Moeder Sophie, Zrs. Elisabeth en Borgia; 2e rij Zrs.Theodula, Aline en Veneranda. Sambas Missiestatie (eind 30er jaren). Coll. Han Kian Lim

    Arrestatie
    Op woensdag 13 mei worden de pastoor en alle zusters naar het kantoor van de commandant geroepen. Hun wordt verteld dat het Hollandse leger Japanse soldaten gevangen heeft genomen en dat zij daarom ook naar de gevangenis zullen worden gebracht, om 5 uur. Worden er Japanse gevangenen doodgeschoten dan zullen zij volgen. De twee zieke zusters moeten ook mee. Als “gevangenen uit liefde voor Christus”, zoals zuster Elisabeth schrijft, bereiden ze zich op het achterlaten van hun huis voor. De zusters biechten bij de pastoor, die hen daarna de H. Communie geeft, tot alle hosties op zijn.

    2. De ‘toetepan’ [sluiting, deksel, gevangenis]

    Naar de cel
    Eigenlijk moeten de zusters alles zelf naar de gevangenis dragen, ook de zieken. Maar een oud-leerling van Moeder Sophie kan bij de Japanners een autobus regelen, als zij er voor wil betalen. Daar gaan matrassen, beddengoed, kleren, eetwaar en keukenspullen in, plus de zeven zusters die niet of slecht kunnen lopen. Pastoor, broeder, moeder Sophie en de dertien andere zusters volgen te voet, begeleid door niet minder dan 4 oppassers met lange blinkende sabels. In de gevangenis krijgen de zusters een groot verblijf, de pastoor en de broeder krijgen cellen in de buurt. Gelukkig, zo schrijft Elisabeth, mag de Mis worden opgedragen en mogen de zusters in de gevangenis communiceren. Ze kunnen er ook hun gebeden en geestelijke oefeningen doen. “We dankten de goede God dat we bij elkaar hadden mogen blijven.” (p. 28) Helaas mag de pastoor alleen de eerste dag de Mis in de hut van de zusters opdragen, daarna moet hij dit in zijn cel doen.

    Spiritualiteit
    Opnieuw denkt zuster Elisabeth aan Nederland. Het moederklooster van de Franciscanessen in Etten werd in 1819 gesticht. Jaarlijks viert de hele congregatie de dag dat de eerste Zusters er kwamen, 15 mei. De zusters van Sambas vieren het dit jaar in de plaatselijke gevangenis. Misschien, alzo het dagboek, is het lijden van de zusters in Etten wel groter. En om de innerlijke kracht nog te versterken volgt een woord van de bisschop van Pontianak, mgr. Van Valenberg: “Wat uit de hand der Godheid vliedt is weldaad, al beseft men het niet.” (p. 29) Het klinkt in moderne oren wreed, maar het helpt de zusters de pijn en vernedering te doorstaan. Bovendien denkt men dat de arrestatie tijdelijk zal zijn.


    Gezicht op Sambas met links de keraton (paleis) van de sultan (1927) Collectie.wereldculturen TM-60044341

    Sultan op bezoek
    Daaraan dragen ook de bezoekers bij. De ‘kleine Japanse dokter van Pemangkat’, waar de medezusters wonen, komt op 30 mei en vertelt dat het de nonnen daar goed gaat. Hij toont zijn medelijden met de Sambas-zusters, en dan wordt het hen ook te machtig. “Voor het eerst begonnen er tranen te rollen.” Direct daarna komt de sultan langs. Hij gaat naar de zusters in de naaikamer en naar de pastoor, die voor de gevreesde Japanner Tomii een vertaling zit te typen. Zijn stem stokt. De sultan is zelf in feite ook een gevangene. Eind juni 1944 wordt hij samen met de andere traditionele leiders van West-Borneo vanwege ‘samenzwering tegen Japan’ geëxecuteerd. Gouverneur Haga van Midden- en Oost Borneo is met zijn vrouw dan al vanwege ‘samenzwering’ om het leven gebracht.

    Deportatie
    Op 5 juli, na de executie van Von Uslar, bezoekt de vriendelijke commandant van Sambas de zusters. Hij tekent een kring met vier punten en zegt: “Pontianak, Singkawang, Sambas en Pemangkat; alle Broeders, Zusters en Paters”. Met gebaren maakt hij duidelijk dat ze binnen 3 à 4 dagen zullen vertrekken. De kring moet wel een kamp zijn. De gevangenschap is dus niet tijdelijk. Dat heeft medezuster Auxilia al laten doorschemeren. Zij is van Chinese komaf, moet haar kloosterkleding afleggen, de gevangenis uit en mag, zo heeft ze gezegd, ‘niet worden weggevoerd’. Waarheen?

    3. De zusters te Pemangkat


    De Sint Jozefkerk in Pemangkat. Foto: wikipedia

    Alarm
    Ook de kleine communiteit 50 km ten zuiden van Sambas begint op 8 december 1941 te schrijven. Het is de dag van de oorlogsverklaring aan Japan door de VS en de Nederlandse regering in ballingschap. Verschillende kinderen komen niet naar school, brancardiers zijn naar het ziekenhuis gestuurd voor het geval van een bombardement, en er wordt rijst opgeslagen. Tot 19 december gebeurt er niets, maar op die dag wordt Pontianak gebombardeerd, de hoofdstad van West-Borneo, en is er luchtalarm. “Alle mensen vluchtten met pak en zak naar de rubbertuinen. Ook onze kinderen gingen met enkele zusters de bossen in.” De dagen erna is er onophoudelijk alarm, “maar zoetjesaan raken we daaraan gewoon” (p. 45).

    Overval
    Op 29 januari vliegen er vliegtuigen boven Pemangkat en de volgende dag zijn er Japanse boten op zee die bij vloed de rivier op varen. De zusters hebben van de bisschop van Pontianak order gekregen om op hun post te blijven. Ze besluiten met zijn elven voor het huis te gaan staan en af te wachten wat er zal gebeuren. “Na enkele minuten kwamen de woestelingen als wilden op ons afgestormd. Ze waren helemaal omhangen met takken… Met het geweer in de ene en in de andere hand een blinkende bajonet stonden ze voor ons, telkens dreigende ons neer te schieten.” Twee verpleegsters onder hen gaan huilende vrouwen in het ziekenhuis helpen, waar een soldaat heen is gerend. Ze worden samen met haar opgesloten. De andere zusters moeten de straat op en worden tegen de schoolmuur gezet. “We stonden te beven op onze benen en bereidden ons voor op het dodelijk schot.” Na een half uur dreigen worden ze het dorp in gejaagd waar de buit aan de officieren moet worden getoond. Die horen de controleur uit, Koopmans. Verderop staan de pastoor, pater Marcelis en broeder Wenceslaus vastgebonden aan een paal. Als de heren ’s avonds vrij worden gelaten, blijkt de pastorie geplunderd. De zusters zijn ’s avonds ook weer thuis, de verpleegsters en hun twee patiënten worden in een schuilplaats op het veld gevonden. In Sambas is het er ook op deze manier aan toe gegaan. Maar zuster Elisabeth maakt het zelf niet mee, omdat zij met anderen in een boshut verborgen zit.

    Japanse zieken
    Evenals in Sambas wordt in Pemangkat de verstandhouding tussen de onteigende zusters en de Japanse militairen beter als blijkt dat de nonnen zieke soldaten beter kunnen maken. Dat laatste geldt trouwens ook voor een zwaar gewonde Nederlandse gevangene, kolonel Snijders. De ‘Japse’ dokters en verplegers weten niet wat malaria is, zuster Veneranda en de andere zusters wel. De officier van Pemangkat voorkomt daarom dat ‘zijn’ kloosterlingen naar de gevangenis van Sambas worden overgebracht. De Japanse verpleger mag zelfs een brief van Moeder Eucharia aan de ingesloten zusters van Sambas brengen. Hij vertelt dat deze schreien als ze de brief zien. Kort daarna komt hij met een slechte boodschap naar het klooster. In zijn gebrekkige Maleis vertelt de verpleger dat alle geïnterneerden van Hollands Borneo naar Brits Borneo zullen worden vervoerd, zodat de Japanse soldaten hier vrij komen voor het front. “Voor U is het erg, voor ons is het nog erger. Wij hebben niets te wachten dan de dood”. (p. 56)

    Gedwongen vertrek
    Op 12 juli verzamelt de communiteit zich, met pastoor en broeder, aan de haven. Daar staan de zusters van Sambas al. Kort daarna komen de paters en zusters van Sinkawang naar de loods. Er is blijdschap bij elkaar te zijn, naast het smartelijke gevoel verbannen te worden. “In ieder geval, we voelden ons in Gods Vaderlijke Voorzienigheid. Wat zouden we te vrezen hebben?’ (p.57).

    4. De Missie van West-Borneo in Kuching


    Kuching centrum, met toren en gevangenis (ca. 1900). Coll. Han Kian Lim

    Kampregels
    “Zachtjes aan stroomde de loods aan de haven vol met ballingen”, vervolgt het dagboek van zuster Elisabeth, “als laatste de zusters van Njaroemkop”. In de avond van 13 juli komen de gevangenen per schip aan in Kuching. De zusters verwachten in een klooster in de stad te worden ingekwartierd, maar het wordt het kamp. Engelse nonnen zijn er al eerder geïnterneerd, en ontvangen hen met thee en rijst. De nieuwe woning is gauw gezien. Ze verrichten hun gebeden en leggen een deken op de grond om te slapen. De volgende dag staan ze in het gelid voor de commandant die de regels meedeelt: voor Japanners langzaam en diep buigen, elke dag werken - anders slaag, en wie te dicht bij het prikkeldraad komt of probeert weg te lopen wordt doodgeschoten. De ‘Ettense’ zusters van Sambas en Pemangkat verblijven met enkele zusters van Veghel en slotzusters Clarissen in dezelfde sobere ruimte. Mevrouw von Uslar heeft een kamertje vlakbij. Het ‘huisgezin’ bestaat zodoende uit 39 personen. Het valt na twee maanden strenge gevangenistucht niet mee. Maar “we zijn gelukkig bij elkaar en delen hetzelfde lot”. Al gauw wordt het lot met nog meer geestverwanten gedeeld.

    Over het prikkeldraad
    Op 16 juli noteert zuster Elisabeth: “Feestdag van O.L.Vrouw van het Scapulier. Onze goede Moeder Maria bracht op deze dag heel de Missie van West-Borneo bij elkaar” (p. 58). De zusters van Singkawang hebben het adres van een uit de vrachtauto gevallen pakket gelezen. Het is van een medezuster uit Pontianak. De vrouwen gaan met hun overste zo dicht mogelijk bij het prikkeldraad staan. Ze zien krijgsgevangen soldaten, de bisschop met een grote koffer op zijn schouders, paters, broeders en Nederlandse ambtenaren, allemaal bepakt en uitgeput. Ze hebben vanaf de haven twee uur in de zon gelopen. De bisschop roept: “Moed houden, Moeder”.


    Zuster Auxilia in Etten. Foto: Dagboek, naast p. 80

    Chinese zusters
    Met de zusters uit Sintang en Pontianak die in het vrouwenkamp komen kunnen ze praten. Zij vertellen over hun reis en over de mishandelingen, executies en onthoofdingen van geïnterneerde officieren en ambtenaren door Japanse militairen en meewerkende Maleiers. Mgr Van Valenberg en pater Donatus hebben op de pasar van Pontianak hetzelfde meegemaakt als de geestelijken van Sambas en Pemangkat in hun plaatsen. De Chinese zusters van Pontianak zijn net als zuster Auxilia naar huis gestuurd. Een van hen wil haar religieuze kleding niet uitdoen. Ze krijgt een klap in haar gezicht en wordt uitgelachen: “Jullie moeten toch de linker wang toekeren!” De meesten worden onder toezicht van een soldaat op school en in het ziekenhuis te werk gesteld.

    5. Beter dan de gevangenis

    Huisvesting
    In de nieuwe kazernegebouwen van Batu Lintang blijkt het leven makkelijker dan in de overvolle gevangenis van Sambas. Er is waterleiding, elektrisch licht en redelijk eten: rijst, mais, ‘oebi’ – zoete rode aardappelen - afgepaste porties groente en zout, een beetje vet spek. Er is een ruime keuken voor de verschillende zustersgroepen en de woonplek van de zusters van Singkawang dient ook tot gemeenschappelijke kapel. De majoor komt af en toe meebidden. De zusters maken met hulp van de soldaten eenvoudige meubilair uit stukken hout, kussenvulling uit gedroogd gras en stijven de bandjes van hun kappen met rijstwater in de zon. Anderen geven lessen Engels en Maleis. Zelfs komt op 11 augustus de commandant van Sambas, ‘Snorrebaard/Nicodemus’ op bezoek. Het ergste voor zuster Elisabeth is dat de zusters al een maand geen Heilige Mis hebben gevierd en geen communie hebben gehad.

    De mannen
    De mannelijke gevangenen, ook de paters en broeders, hebben het zwaarder. Ze moeten onder strenge bewaking hout kappen, ook voor de keuken van de zusters, en meewerken bij de uitbreiding van een vliegveld. Pater Cassianus, pastoor van Bengkajang, ziet kans om dat laatste bij het hout kappen te vertellen. Krijgsgevangenen mogen daar niet toe gedwongen worden, maar wie er kritiek op heeft werd geslagen en met doodschieten bedreigd. De pastoor krijgt van Moeder Antoine van Pontianak een kostbaar brood mee voor de bisschop, die met zijn gezondheid sukkelt. De schildwacht laat het toe.

    Alles vieren
    Hoewel er op de kerkelijke feestdag van Maria Hemelvaart, 15 augustus, geen Heilige Mis kan zijn en ‘alle mannen die maar enigszins een schop kunnen hanteren’ werken op het vliegveld, noteert het dagboek verschillende feesten. De zusters zwaaien gezamenlijk door het prikkeldraad naar de bisschop, die zijn patroonsfeest heeft, Tarcisius. Hij geeft snel zijn zegen. Een Engelse zuster vernieuwt haar eeuwige kloostergeloften, ‘tot redding van de zielen’. De kapelbarak is versierd en de jubilaris wordt toegezongen. En tenslotte wordt een van de slotzusters 50. Ze krijgt bezoek van Vader Abraham, totdat er ’tellen’ wordt geroepen, en iedereen zich naar buiten haast voor het zoveelste appèl. “Zo wordt in het kamp alles herdacht, alles gevierd. Het moet wel, want anders zouden de zusters het op den duur niet uithouden.” (p. 70)

    Ratten
    De inspecties van de barakken en het in het gelid staan, wachten en bekeken worden bij weer een bezoek van een Japanse prins of hoge militair zijn geen feest. Evenmin het nachtelijk bezoek van ‘kleine venijnige vijanden waartegen we niets tegen vermogen’; hordes ratten. Maar op 22 augustus komt na het rozenhoedgebed de majoor naar voren. Hij vertelt dat de Japanse consul een brief uit Rome heeft ontvangen, en dat Zijne Heiligheid de Paus met veel belangstelling heeft gevraagd hoe de priesters en religieuzen het in de ballingschap maken. “Die belangstelling deed ons zo goed dat bij velen de waterlanders kwamen.”

    6. Verboden en vergunningen

    Pen en papier ingenomen
    Eerder die week hebben de hoofden van het vrouwenkamp, bewaakt door 30 gewapende ‘Jappen’, te horen gekregen dat alle potloden, vulpennen en papier ingeleverd moeten worden, ook het beschreven papier. De spullen moesten worden ingepakt en ingeleverd. Het zal later worden teruggegeven. “Adieu lessen, aantekeningen. Toch maar gehoorzamen want op achterhouden van wat dan ook staat de doodstraf.” (p. 70) Maar het dagboek gaat gewoon door. “Sommige [soldaten] gaven verlof het beschreven papier te houden”, schrijft zuster Elisabeth. En op 14 september worden de spullen inderdaad teruggegeven.

    Heilige Mis
    Op 24 augustus kwam er toestemming om dagelijks de Heilige Mis bij te wonen en de Heilige Hostie te ontvangen. Voor de zusters is Jezus levend in de Heilige Mis en de hostie [stukje ongedesemd brood, red.] aanwezig. Ze beschouwen hem als hun bruidegom – hoe wonderlijk dat in moderne ogen ook mag zijn. ‘Wat een gelukkige dag!’ schrijft zuster Elisabeth (p. 74). Tot biecht horen [aan een priester je zonden belijden en vergeven worden, red.] was geen toestemming gegeven. Het was de Japanners niet aan het verstand te brengen wat dat was (!) – dat lukte pas een keer op 9 februari. Ook is er toestemming om groenten te verbouwen op de grond rond de barak, zelfs om kippen te houden, en zes zusters worden gevraagd om in het kampziekenhuis te werken.

    Ziekenverpleging
    Daar zijn bekende en dankbare Japanse soldaten uit Sambas. Ook ligt er een Nederlandse militair, die op 28 augustus overlijdt [Maria Joseph Bemmers uit Kerkrade, red.]. Hij wordt na een requiem-mis in de kerk van Kuching met behulp van bisschop Van Valenberg, pater Cassianus, de verpleegsters, de Hollandse en de Japanse militaire staf op het katholieke kerkhof begraven. De ere-schoten komen van bewapende Japanners. Ze doen alles zo nauwkeurig en eerbiedig ‘alsof er geen verschil is tussen vriend en vijand’.

    Buigen
    Op 22 september zijn er nieuwe commando’s: uit iedere afdeling van het vrouwenkamp moeten dagelijks twee personen wormen uit de rijst komen halen. Het terrein rond de barakken binnen het prikkeldraad moet schoon worden gehouden. En er moet een medicijnpost worden ingericht voor de lichte zieken en de kinderen in het kamp - er zijn dus kinderen. De zusters maken er een kleine kliniek van. Op 24 september moeten alle gevangenen aanwezig zijn op de verzamelplaats bij het hijsen van de Japanse vlag. Men zegt dat er 1200 personen zijn. Eerst buigen naar het Japanse paleis, dan naar de Japanse tempel en dan vele diepe buigingen maken naar de Japanse vlag, die onder gezang naar boven wordt gehesen. “Het was voor ons een aandoenlijke plechtigheid, dat begrijpt ge”, merkt de zuster fijntjes op.

    7. Ziekte, vocht en honger


    Barak voor 60 Nieuw-Zeelandse officieren (bron: wikipedia)

    Dysenterie
    Op 24 oktober is de dysenterie, die al in september heerst, terug. Het is gevaarlijk. Een week eerder zijn 1500 Engelse, Schotse en Nieuw-Zeelandse krijgsgevangenen in slechte conditie aangekomen uit Batavia. Een broeder is naar het kleine ziekenhuis gebracht, twee Engelsen naar het grote, waar ze overlijden. Er sterven meer Engelsen. Een Engelse pater verklaart zich bereid om naar het besmette kamp te gaan en er te werken. Van de soldaten zijn er 100 katholiek. ‘Maar voor een ziel zou iedere priester zoiets doen’, schrijft zuster Elisabeth. De zusters geven de pater acht hoofdkussens mee, van zichzelf, want de soldaten hebben totaal niets om op te liggen. Zelf zijn ze nog goed gezond, “maar we worden zeer, zeer mager”. (p. 89) Er worden Japanse kranten verspreid. Ze staan vol opschepperij: ze zijn al bijna klaar met de verovering van de wereld. “In de keuken zouden ze het leuker vinden als de Jap daar wat beter opschept”. (p. 91)

    Verhuizing

    Op last van het Japanse opperbevel in Miri moeten de dames en de zusters uit het vrouwenkamp op 26 november naar een leegstaande school in Kuching. ‘Japse’ frontsoldaten komen in hun plaats. Het schoolgebouw is goed, maar veel te klein voor de grote groep. Er zijn alleen al meer dan honderd zusters. De ingang heeft 14 treden, wat voor veel ouderen een hele toer is. Een tropische regenbui brengt overal lekken aan het licht, waardoor de vrouwen bij regen steeds een andere slaapplek moeten zoeken.

    Doodziek
    Enkele zusters klagen over dikke benen, een gevolg van ondervoeding. De bejaarde zuster Sophie van Singkawang mag naar het ziekenhuis. Meer zusters worden ziek, aan een nog onbekende ziekte. Ze hebben een pijnlijk gevoel in alle gewrichten, tong en lippen worden dik en stijf. De dokteres spreekt met de Japanse dokter, die katjang hidjau (‘groene bonen’) voorschrijft. Chinese katholieken uit de stad smokkelen eten naar binnen. Op 15 december overlijdt de oude zuster Cajetana [van Tiel]. Gelukkig mag ze plechtig door monseigneur Van Valenberg en Pater Supérior begraven worden. Majoor ‘Snorrebaard’ komt langs om te condoleren en laat grote manden pisang en ananas brengen. Japanse soldaten die vroeger in Sambas en Pemangkat door hen zijn verpleegd bezorgen de zusters af en toe broodjes. Maar op 19 december moeten vijf zusters van de groep naar het hospitaal, onder wie Moeder Eucharia. Een week later volgt zuster Gertrudis [Jaspers] van Vechel. Zij zal op 6 januari 1943 aan dysenterie overlijden.


    Zuster Floriberta (1934) bij het ziekenhuis. Coll. Han Kian Lim

    Kerstkindje
    Gelukkig zijn er dingen die de zusters op de been houden. ‘Zoveel mogelijk moeten we afleiding zoeken, anders is het hier gauw niet om uit te houden’, is in het dagboek te lezen. Dus krijgt Moeder Xaveria van de 107 zusters versjes en leukigheden op haar patroondag. Met Sinterklaas is er voor ieder een hart van marsepein, een ei en wat zout. En zuster Floriberta houdt in het ziekenhuis een eigen dagboek bij dat in de school wordt voorgelezen. Op Kerstmis is er eindelijk weer een Heilige Mis. Voor het eerst na vier weken kunnen de zusters communiceren. ‘Wat een gelukkige dag’. Ook was er een protestantse bekeerling, die in de Kerstnacht katholiek gedoopt werd. Op 27 december kwam een ‘Japse’ soldaat zo maar met een grote tros bananen bij de zusters binnen. Hij liep zonder iets te zeggen recht naar het kribje van de kerststal. ‘We klapten allemaal in de handen en toen begon hij te glimlachen. Zou het Kindeke Jezus dat niet aardig gevonden hebben?’ (p.97).

    8. Stijgende wanhoop


    Plattegrond kamp Batu Lintang. Bron: Bersiapkampen p. 224

    Zuster Elisabeth
    Op 31 december mogen de dames en zusters weer terug naar het kamp (kaartje, cijfer I). Pater Cassianus vertelt op 8 januari onder een reparatie in de keuken van de zusters dat er bij de mannen nu 16 doden zijn en dat 518 soldaten vrij zijn van werk vanwege zwakte en ziekte. De beri-beri ziekte doet ook weer van zich horen. Op 25 januari schrijft zuster Elisabeth bij haar laatste aantekeningen voor het dagboek: “Er is niets aan te doen dan meer en beter eten te geven. En daar komt de Jap niet van in. Dan maar een voor een dood gaan!” Kort erna komt ze zelf in bed terecht vanwege een groot abces.

    Moeder Sophie
    Moeder Sophie neemt haar taak over. Haar toon is als verantwoordelijke in een barak met 88 zusters en deels leidster van het vrouwenkamp zakelijker en bezorgder dan die van de zuster. Ze heeft contact met de andere barakhoofden, met de bisschop, de majoor en ondercommandant Nakata. Ze leidt het barak-appèl: “Komen de tellers dan moet ik heel hard roepen ‘Tjotski’ d.w.z.’In ’t gelid’. Daarna roep ik ‘Kire’ of ‘buigen’. Vervolgens schreeuw ik ‘Bangoen’, d.i. ‘tellen’, en dan moeten de voorsten van de rij op beurt tellen tot 13 in ’t Japans. Wij zijn n.l. met 13 rijen van 2, plus mijn persoontje” (p. 112)

    Krijgsgevangenen
    De meeste zorgen ontstaan doordat er in het kamp meer geïnterneerden zijn, minder eten en meer ziektes. “1 april: Onder een hevige regenbui kwamen autobussen met Engelse krijgsgevangenen binnen. Ze moesten in de regen blijven staan, werden geteld enz. ... Het schijnen wel 1000 Engelsen te zijn. Wat hebben we toch medelijden met die jongens. We zijn nu al met ruim 3000 man in het kamp. Het is niet te verwonderen dat het eten zo schaars wordt.” (p.106) Over de ziektes schrijft ze op 1 juni: “De dokteres zegt dat er wel 600 Engelsen ziek zijn. Ze hebben scabies en krijgen geen geneesmiddelen. Daardoor krijgen ze wonden en bloedvergiftiging treedt hier zeer gemakkelijk op.”

    Vernedering vrouwenkamp
    De oorlog gaat slechter voor Japan en de agressie tegen de gevangenen neemt toe, ook tegenover de vrouwen. Op 2 maart worden de hoofden van het vrouwenkamp plotseling naar buiten geroepen. Ze denken dat ze kampgeld krijgen voor het werk dat in februari is gedaan. Maar het is een appèl, waarna ze achter een 16 à 17-jarige soldaat aan naar Kuching moeten lopen. “Eindelijk mochten we halt houden en toen werd het bevel gegeven brandhout te verzamelen.” Dat wordt later voor allen herhaald. Zo op 20 april: “De arbeid was niet geschikt voor vrouwen, want het waren grote boomstammen en zware takken, die bovendien nog vol met mieren zaten.”

    Mishandeling dame
    13 juni 1943 is het Pinksteren. De dagen ervoor hebben de vrouwen opnieuw moeten verhuizen. Ze moeten de toegewezen barakken, met gelukkig ruimte voor een kapel, schoonmaken, inrichten en zo goed mogelijk tegen regen afdekken. Na de vroegmis en de mislukte Hoogmis (de bisschop wordt pas laat doorgelaten) passeert er een oude dame. “De wacht was een jongen van 18 jaar hoogstens. Of de dame nu niet diep genoeg boog, weten we niet, maar opeens kreeg ze een klap in het gezicht.” Daarna weer twee klappen. Moeder Sophie en Moeder Bernardine komen haar bevend te hulp. In de keuken gebeurt ook zoiets, maar de dame slaat terug en wordt dan zo ‘afgeslagen’ dat ze bewusteloos op de grond valt. “De dokteres sprong toen tussenbeide en eindelijk gaf de Jap het op.” De in elkaar geslagen vrouw wordt op het kantoor ontboden. Het hoofd van het dameskamp en de dokteres, die geklaagd hebben, ook. Zij dragen de vrouw op een brancard. Er is geen medelijden. Zij moet vergiffenis gaan vragen aan ‘de Jap’, anders wordt ze opgesloten. Men geeft de vrouwen ook de vermaning dat de buiging tegenover Japanners moet geschieden onder een hoek van ruim 20 graden. “De Jap waarschuwde meteen nog eens tegen smokkelen. De handen zullen worden afgekapt bij ieder die probeert het te doen.” (p. 116)

    Smokkel
    Die waarschuwing is niet voor niks. Een groot deel van de aantekeningen van Moeder Sophie gaat over smokkelen, half legaal en illegaal. Het gaat vooral om eieren, olienootjes, brood, vet, zout en fruit. Al of niet met kampgeld gekocht in de winkel of van elkaar. En ook brieven en briefjes worden gesmokkeld. Op die manier blijft Moeder op de hoogte van wat de bisschop hoort en weet, en wat de verpleegster-zusters in het hospitaal meemaken. Als een geestelijke of zuster ziek is probeert men voedsel en bemoediging te bezorgen. Een Japanse, kerkelijke of persoonlijke feestdag levert altijd meer geschenken en smokkelmogelijkheden op. Nederlandse feestdagen worden overigens niet erkend - ‘Holland bestaat niet meer’ (p. 111). Koninginnedag 1942 wordt nog wel met rood-, wit-, en blauw gekleurde kleding gevierd.

    Dagboek stopt
    Op 5 augustus is er onder het ontbijt plotseling ‘appèl’. Alle zusters naar buiten. “De pap maar laten staan.” Gelukkig kan zuster Aquina het geld van Moeder Sophie meenemen en zuster Lutgera het dagboek. Binnen wordt tot 12 uur gezocht, vooral papieren, boekjes en schriften. “Waarschijnlijk had dat onderzoek een ander doel. Een geheime radio of zoiets.” (p. 122) Dat is goed mogelijk, want sinds 24 februari 1943 hebben Engelse krijgsgevangenen een radio in gebruik. Ondanks alle inspecties wordt hij nooit ontdekt. Op 31 augustus schrijft Moeder Sophie: “De Jappen speuren zo nauwkeurig alles na, en vinden ze zo’n schrift dan is ons hoofd er mee gemoeid.” Ze concludeert dat de aantekeningen niet langer kunnen worden bijgehouden. Ze voegt toe dat het dagboek wel wat eentonig wordt. “Het zijn altijd dezelfde mishandelingen en plagerijen ... veel mensen kunnen daar op den duur niet meer tegen.” Dat zal ook voor haar hebben gegolden.

    9. Tekenen van hoop

    Schrijven
    Het oppakken van het dagboek is een teken van hoop. Moeder Sophie heeft het afgebroken met de angst “dat er bij ons in de bilik [woonbarak] geen spionnen zijn. Anders...” Elf weken later, op 19 november, mag er weer een zuster gaan schrijven. Krijgt Moeder Sophie positieve oorlogsberichten? Deze schrijfster is niet zo vroom als zuster Elisabeth maar uitgebreider dan haar overste. Opvallend is dat de notities niet dagelijks, maar slechts af en toe worden gemaakt, met soms maanden tussenpoos. Ook valt op dat ze overwegend positief zijn. Het eerste bericht gaat weliswaar over een nieuw Japans verbod: alle boeken moeten worden ingeleverd. Ze gaan naar een kampbibliotheek. Maar gelukkig voor de zusters vallen geestelijke boeken buiten het besluit. Een geestelijk dagboek misschien ook wel. De volgende notitie is van 12 december: er komen brieven het kamp binnen, uit Engeland en Holland. Ook mgr Van Valenberg krijgt een tijding: de kloosters in Etten en elders bestaan nog, en ze weten daar dat hun zusters geïnterneerd zijn. Wat een opluchting.

    Nieuwjaar
    Op Kerstmis is het dagboek droevig: nog steeds geen vrede, wel veel zieken, ondervoeding en gewonden. Maar 1 januari 1944 is hoopvol. De geruchten over de geheime radio duiken weer op. En de president van Canada en van het Rode Kruis in Genève hebben alle geïnterneerden bericht gestuurd. “We worden dus niet vergeten!” (p. 126) Dan is er stilte. 8 maart: “Wat een vreugde! Er zijn brieven uit Holland aangekomen.” Dus niet via de bisschop, maar direct. “Nieuws van de familie en van het Moederhuis.” Eind maart blijkt dat het Rode Kruis het niet bij een Nieuwjaarswens heeft gelaten. Er is een tweede zending aangekomen, met melk, boter, kaas, spek, koffie, sigaretten (die de zusters ruilen voor eieren), kledingstukken, tandenborstels en kleine spulletjes.

    Zuster Leontine
    Eind mei 1944 zijn er weer aantekeningen. Ze gaan over zuster Elisabeth. Ze gaat snel achteruit en overlijdt, na de absolutie van haar zonden door de bisschop, op 22 mei ’s middags, ‘waarna haar schone ziel opvloog naar den Bruidegom. Wat een ontvangst zal dat geweest zijn’. Ze wordt de volgende dag begraven naast de reeds overleden zusters met wie ze de ‘ballingschap’ heeft gedeeld (p. 127). Over het gouden kloosterfeest van zuster Leontine (71), kwakkelend maar een begaafd naaister, wordt eind juli uitgebreid bericht. Kolonel Suga, commandant van het kamp, laat haar op het kantoor komen en schenkt 90 grote bananen, 3 ananassen en 7 pakjes koekjes. Toch wordt in de twee notities van eind augustus en september niet verzwegen dat de zuster aan dementie begint te lijden.

    Koningin Wilhelmina
    Ook is er op 10 juli een notitie die de voortgaande kampellende beschrijft: “Er wordt aangezegd dat het rijstrantsoen tot de helft verminderd wordt. Hoe zullen we nu eten? Overal moet alles beplant worden.” 17 november is de laatste aantekening van 1944. Hoopvol. De Paus heeft geld gestuurd voor alle geïnterneerden, wat de Anglicanen aanvankelijk niet willen hebben. Er klinkt enig leedvermaak. Later komt er ook geld van koningin Wilhelmina: 150 gulden per persoon, waarvan de ‘Jap’ er maandelijks 20 geeft.

    Dwangarbeid
    Tot het sterke gerucht van de Japanse overgave, op 15 augustus 1945, zijn er zeven dagboekaantekeningen. Twee over droeve zaken. “13 april. Nu zijn we al weer enkele maanden in 1945. Met zuster Leontine wil het absoluut niet. We krijgen ook teveel aan het werk op het veld.” Dan beschrijft de zuster hoe ze de laatste maanden dagelijks om 9 uur in rijen van 4 klaarstaan voor vertrek, een ‘tjankoel’ (soort schop), en een busje voor pieren (kippenvoer) in de hand. Eerst ‘tellen’ natuurlijk, dan de wacht voorbij, waarbij de ‘baas’ (meestal een van de dames) de voorgeschreven diepe buiging moet maken en dan marcheren naar het oebi-kajoeveld (cassave). De vrouwen moeten op de akker onkruid wieden, onder bewaking. Vuil werk, soms half boven een sloot. De zusters proberen desondanks zuster te blijven. Ze dragen een witte kloostersluier, daarboven een hoed van papier-of palmblaren, een katoenen kloosterschort boven een schort van rijstbaaltjes, en guttaschoenen (caoutchouc) die nooit passen. Rond half elf is er soeppauze en om 12 uur mogen ze naar huis. Ze zijn bemodderd en spoelen zich af in een sloot. “Onze kleren, die sinds juli 1942 niet vervangen zijn lijden geweldig.” Dat is een der redenen om het werk af te schaffen, naast ondervoeding en verzwakking. En gelukkig, het werk op het veld wordt inderdaad op diezelfde 13de april afgeschaft (p.128).

    Vliegtuigen
    De ander min of meer droevige aantekening, van 19 juli, betreft het overlijden van pater Ewald [Nobel], de jongste Capucijn van de Borneose Missie. Tragisch omdat de vrede al zo dichtbij lijkt. Want op dezelfde dag zijn door geallieerde vliegtuigen pamfletten uitgeworpen. Ze zouden al 78 dagen, dus sinds april, over het kamp zijn gevlogen om Japanse doelen te bombarderen. En daar sluiten de andere notities op aan. Een maand eerder was voor de eerste keer zo’n vliegtuig gezien. Op 14 augustus “voelen de Jappen zich niet erg veilig meer.” En op 15 augustus komt mevrouw Kwes terug van de herdenking voor het 3-jarig bestaan van het concentratiekamp en zegt: “Ja Moeder, ze zeggen dat de oorlog afgelopen is.” De zusters geloven het maar half, maar later blijkt dat het van het ‘oude wijf’, de radio, kwam. En als ’s avonds wordt bericht dat de zusters geen dwangarbeid in de munitiefabriek meer hoeven te doen, waartegen ze bij kolonel Suga tevergeefs geprotesteerd hebben, zijn ze overtuigd (p. 130).

    10. Bevrijding



    Dagboek p. 130-131

    Pamfletten
    De schrijfster maakt nu bijna dagelijks aantekeningen en kijkt voortdurend naar de lucht. Op 16 augustus strooien twee vliegtuigen pamfletten uit ‘dat alles afgelopen is en dat de bevrijding nadert’. Drie dagen later drie vliegtuigen met pamfletten. Die hebben ‘Oranje’ randen en rood-wit-blauwe hoeken. Er staat een in het Nederlands vertaalde (en geredigeerde) boodschap in van George Wootten, bevelhebber van de 9de Australische infanterie divisie in Brits-Borneo en verantwoordelijk voor de opvang van geïnterneerden. De belangrijkste boodschap is dat ‘den Japannees’ geheel verslagen is en dat de Japanse keizer zich onvoorwaardelijk heeft overgegeven. Er moet nog het een en ander aan maatregelen worden afgesproken, maar ‘Houd den moed er maar in!’ En ondanks de ‘moeilijke ligging van Uw verblijfplaats … zullen wij alles doen … U zo spoedig mogelijk te bevrijden en voor U te zorgen’ (p. 130-131).

    Kolonel en bisschop


    Rooms-katholieke geestelijken bij de bevrijding van Kuching op 11 sept.1945. Wikipedia

    “21 augustus. Monseigneur werd door den kolonel ontboden.” Kolonel Suga heeft nog steeds de macht en stelt blijkbaar vertrouwen in de katholieke leider van Batu Lintang. En denkt de bisschop aan de katholieke missie van Japan? De kolonel legt uit dat de Japanse keizer vrede wil, maar dat er legerhoofden zijn die willen doorvechten, misschien ook officieren in het kamp. In dat geval zal hij de hulp nodig hebben van Engelse, Australische en Hollandse militairen. De bisschop adviseert om dit voor te leggen aan de kamphoofden. Suga vertelt ook over de atoombommen. Een daarvan is op zijn geboorteplaats [Hiroshima] terechtgekomen.

    Japanse gaven
    Verder laat de kolonel weten dat er Australische vliegtuigen met levensmiddelen zullen komen. Iedereen moet binnen blijven, behalve de kamphoofden. Bij de vrouwen zijn dat mevrouw Adams en Moeder Sophie. Zij moeten pakjes verzamelen en verdelen. Het dagboek vervolgt: ”Geen Australiërs te zien, maar de Jappen brengen aan.” Ze willen blijkbaar een goede indruk maken en komen met kleding: klamboes, schoenen, wit textiel, gekleurde kousen. “De slotzusters kregen 7 paar oranje en rose kousen!!”

    Eerste dropping
    Op 29 augustus, veertien dagen na de Japanse overgave, komen (na een uitgeworpen waarschuwingsbrief) de eerste 30 Australische kisten aan parachutes naar beneden. Ze vallen niet op de witte letters die de kolonel bij het hoofdkantoor heeft laten aanbrengen, maar naast de vrouwenbarak bij de witte was die de slotzusters van Pontianak net hebben opgehangen. ”Elke keer ging er een hoera op als iets was neergekomen en de vliegers groetten terug.” Fijn wit brood, melk, boter, kaas, chocolade, zeep, tabak, sigaretten enz. enz. En dertig dozen met vrouwenkleren. Met algemene stemmen werd besloten de etenswaren af te staan aan de Engelse soldaten. “Ze hadden zoveel meer moeten ontberen dan wij“ (p. 132).

    Koninginnedag
    De zusters kunnen nu op 31 augustus echt Koninginnedag vieren. Er is om half elf voor iedereen een snee brood met boter en een kop chocolade. Een oranje strik in het haar en bij het zingen van het Wilhelmus allen in de houding met de snee brood omhoog. Om zes uur komt Moeder thuis. Er is een oplossing voor de overgangstijd. De eindbeslissing blijft voorlopig nog in handen van Suga, maar alle verzoeken moeten aan drie Europese kolonels worden gericht. Uit Australië is intussen een Australische baas onderweg. Niet iedereen is het hiermee eens. Veel kampbewoners hadden liever een snelle Australische invasie gezien. Maar de schrijfster dankt God dat er geen ongelukken zijn gebeurd. Op 1 september geeft het comité dat de spullen verdeelt uit de dozen met kleren aan de zusters een paar zwarte mantels, vier onderjurken en zes paar sloffen. Moeder Sophie bedankt voor de fijne dameskleren en dat doen de andere Moeders ook.” ‘En de dames waren blij!” (p.133).

    Parachutes
    De Australische pakketten zitten tussen twee planken die aan een parachute zijn vastgemaakt. Op 2 september zijn er 23 parachutes, op 4 september zowaar 44, gebracht door vliegboten en op 7 december zelfs 51 stuks. Er raakt er een onklaar, zodat er kisten op het dak van een ‘bilik’ komen en een Engelsman dodelijk verwonden. De zusters krijgen een paar parachutes in handen, “22 m omtrek en 3.5 m straal, groene en witte.” Ze komen hen goed van pas “want onze kleren zijn erbarmelijk ver versleten.” Intussen zijn een paar zusters op bezoek geweest in het Engelse hospitaal. De soldaten zijn er slecht aan toe. Hun verzorging is tot dan toe beroerd. “Het is niet te verwonderen dat er zoveel gestorven zijn.” Zuster Aline en Veneranda zijn opgeroepen om ze te helpen. Ze worden door de chauffeur van kolonel Suga opgehaald. “De tijden veranderen!”

    Overdracht


    Kampcommandant Tatsuji Suga met brigadier Thomas Eastick (links) en luitenant-kolonel A. W. Walsh (midden) op 11 sept. 1945. Wikipedia

    Op 11 september moeten alle Japanners de wapens neerleggen. Om 5 uur ’s avonds nemen de Australiërs definitief het bestuur over. Er zijn toespraken en hoera’s zonder eind. De schrijfster noemt nu voor het eerst openlijk de radio die in het Engelse kamp onder een keukentafel was aangebracht. In de keukenla zaten papieren waar de Japanners altijd naar keken. Om stroom op te wekken werd benzine uit Japanse auto’s gehaald, later moest er getrapt worden om de dynamo op te laden. Het prikkeldraad en de wasdrooglijn deden dienst als antenne. Het dagboek vermeldt op 17 september de zelfmoord van kolonel Suga op het eiland Leboean. Hij liet zijn keel opensnijden door zijn huisboy en leefde nog 20 minuten. Zo ontkwam hij aan een veroordeling. De zuster kijkt met een katholieke bril: “Wij zijn er allen van geschrokken... Dikwijls heeft hij met Monseigneur over onze H. Godsdienst gesproken. Wie weet of hij in die 20 minuten zijn daad niet heeft verafschuwd en berouw heeft gehad?” Twee dagen later deelt de bisschop deze visie ook mee aan een prominente Japanner, samen met een lijst van alle ‘Jappen’ die goed zijn geweest, niet de slechten. Zo’n eenzijdige lijst zal voor sommige geïnterneerden vermoedelijk een klap in het gezicht zijn geweest.

    11. Terugkeer


    Labuan Beach (ca. 1950). Coll. Han Kian Lim

    Leboean
    De zusters van Sambas en Pemangkat worden op 22, 23 en tenslotte 28 september met het vliegtuig naar Leboean gebracht. “We huizen hier in tenten op het strand. De auto reed af en toe zelfs door het water.” (p. 136) Voor iedereen staat een veldbed klaar. Men slaapt met z’n twaalven in een tent. Het eten is buitengewoon goed. De dokters knappen iedereen zo veel mogelijk op en schrijven rust voor. Er is ook een kapelletje, dat zo vol zit alsof er steeds ‘altijddurende aanbidding’ is. In het strandkamp wordt nu ook bekend gemaakt dat de wrede kampdokter Jamanoto het bevel uit Tokio had gekregen op 17 augustus alle vrouwen en kinderen te vergiftigen en alle mannen op een dodenmars door het bos te sturen en af te maken. De bevrijding kwam maar net op tijd. Jamanoto is veroordeeld en doodgeschoten. “Wat heeft de goede God ons toch wonderbaar beschermd” (p. 137).

    Bersiap
    Een tweede angstig bericht komt op 4 december van Mr. Dr. Scholts uit Bandoeng, nu op weg naar Australië. Hij is op 2 oktober door Indonesiërs in zijn huis overvallen en in zijn hoofd en lichaam gehakt. Hij werd over straat gesleept naar het lijkenhuis, waar hij zich dood hield. Toen hij levend bleek te zijn werd hij naar het ziekenhuis gebracht, waar hij wonderbaarlijk snel genas. “’t Is toch niet te hopen dat de opstandelingen ooit het gezag in handen zullen krijgen”, verzucht de zuster (p.139).

    Naar huis
    Op 8 december gaan de zusters met de ‘Willem van der Zaan’ scheep naar Pontianak. Het woeste weer en het overstappen in prauwen, die bijna tegen de rotsen slaan, maakt de aankomst tot een angstig avontuur. Bovendien blijkt elders op Borneo, in Ketapan, de opstand uitgebroken te zijn. Het zusterhuis van Pontianak is onbeschadigd en vangt hen op. Daar is ook het weerzien met zuster Auxilia, ‘nog in haar wereldse kleding’ (p. 140). En eindelijk, op 18 december om half negen stappen 26 zusters in twee vrachtauto’s om naar de missiestaties van Pemangkat en Sambas te gaan. Negen van hen blijven in de kustplaats, de anderen gaan door naar Sambas. De pastoor en de broeder zijn er al een week. Er is ontvangst met klokgelui. Het ziet zwart van de mensen, katholiek en niet-katholiek. Onder de eersten de nieuwe controleur, de heer van der Schoor. “Handjes geven, vragen en vertellen, troosten om geleden verliezen enz.” (p. 141).


    Meisjesleerlingen heten op de Missiestatie Sambas ‘Muder’ welkom (mogelijk Moeder Chantal, in 1939). Coll. Han Kian Lim

    Besluit
    Zusterhuis, ziekenhuis en school worden schoongemaakt en zo goed als mogelijk heringericht. Het aantal zieken en leerlingen neemt toe. Er worden nieuwe zusters in Etten aangevraagd, om de overledenen en naar Holland gebrachten te vervangen. Er is in maart een gerucht van opstand tegen de Europeanen, en pastorie en zusterhuis worden bewaakt. Op 30 mei, de dag van de eerste H. Communie van 16 jongens en 9 meisjes, komt er opnieuw bewaking bij het ziekenhuis. Later grijpt de politie enkele ‘belhamels’. Op 16 juni viert Moeder Sophie haar verjaardag en ontvangt Monseigneur Van Valenberg en een andere hoge gast, baron en jezuïet Van Voorst tot Voorst uit Java. In juni is er ook onenigheid met de inspecteur van het onderwijs, en in juli met de Zending, die in Bengkajang een protestants ziekenhuis mag openen. Kortom, het katholieke leven in Sambas herneemt zijn oude loop. Tenminste. Het dagboek eindigt met een woord aan de lezers, die ook weldoeners worden geacht te zijn: “Met nieuwe moed hervatten wij het stilgelegde werk, en met de steun van jullie gebed en gaven, hopen we zo snel vooruit te gaan, dat binnen enkele jaren er niets meer te bespeuren valt van die hele oorlogsjammer.”

    Noot: De congregatie van de Zusters Franciscanessen van Etten
    De Zusters Franciscanessen van Etten’ werd gesticht in 1820 vanuit Dongen door Marie Raaymakers (1781-1867). De zusters stichtten in Etten een pensionaat om onderwijs en vorming aan meisjes te geven. Ook gaven ze meisjesonderricht in de dorpsschool. Van Etten uit stichtten zij vele kloosters en instellingen, met name in West-Brabant en Zeeland. Vaak was dit op verzoek van de plaatselijke pastoor. Vanaf 1922 wijdden de zusters zich ook aan de wijkverpleging. De zusters verleenden aldus hulp aan bejaarden, zieken en eenzamen. Zij verrichtten huishoudelijk werk bij pastoors en deden daarnaast ook pastoraal werk. Los daarvan werd ook missiewerk verricht. Het Sint-Franciscusklooster in Sambas was hun eerste missie-vestiging (1924-1971). Hierna volgde het Sint-Theresiaklooster in Pemangkat (1929-1967).

    Bronnen
    - ‘De Zusters van Etten in gevangenschap en in het Concentratiekamp der Japanners op Borneo’. Zonder jaartal en plaats van uitgave
    - Wikipedia over Batu Lintang en over de Franciscanessen van Etten


    Vervolg internering

    In het begin bestonden de kampen uit afgesloten stadswijken. Daarnaast bleven rond 160.000 burgers van Nederlandse of Europese komaf buiten de interneringskampen. Hun leven was evenmin vrij van honger, vernedering en onderdrukking. Ook Europese vrouwen werden gedwongen als ‘troostmeisje’ voor de Japanse en Koreaanse troepen dienst te doen. De mannen waren vaak wel, als krijgsgevangene, geïnterneerd.

    Duizenden mannen werden tewerkgesteld in Sumatra ('Pakan Baroe') en Birma/Siam (‘River Kwai’) voor de aanleg van spoorlijnen door het oerwoud. 3000 Nederlanders verloren bij de dwangarbeid aan de Birmese spoorlijn hun leven, 1000 in Sumatra. Vele duizenden romusha's verloren eveneens het leven.

    42.000 Koloniale militairen, onder wie blanke en gekleurde Nederlanders, Surinamers, Molukkers en anderen werden in Nederlands-Indië als krijgsgevangenen opgesloten (20.000 Engelse burgers en 50.000 krijgsgevangenen op het Maleisisch schiereiland, 27.000 Fransen in Indochina). Uit de bezette gebieden van Oost-Azië werden in totaal 68.000 krijgsgevangenen en burgers in transportschepen naar andere delen van het Japanse imperium vervoerd, naar China, Taiwan en Japan, sommigen naar Nagasaki (zie bij Verhalen: toespraak Han Bawits en herinneringen Ronald Scholte). Bij de transporten over zee verloren duizenden door gebrek aan lucht en voeding, en vooral door aanvallen van de geallieerden hun leven. De schepen vervoerden ook wapens en waren vanuit de lucht niet herkenbaar als gevangenenvervoer. Een berucht transport was dat met de Junyo Maru. Alle vijftien ‘hell ships’ hadden een naam eindigend op Maru.

    Op 16 september 1944 was het Japanse schip Junyo Maru met meer dan 6.000 opvarenden uit Tandung Priok, Java, vertrokken. 4.200 van hen waren Javaanse dwangarbeiders, ‘romusha’. De overigen waren Nederlandse, Surinaamse, Britse, Australische en Amerikaanse krijgsgevangenen. Op 18 september torpedeerde de Britse onderzeeër HMS Tradewind het schip. Het zonk en slechts 880 personen overleefden. Het zou de derde grootste scheepsramp ooit worden. Onder de verdronkenen waren rond de duizend KNIL-lers, negen van hen uit Suriname (zie daar). Het grootste deel van de overlevenden werd tewerkgesteld aan de dodenspoorweg in Sumatra, de Pakan Boeroe-lijn (zie ook Andere Tijden, 25 febr. 2003, http://geschiedenis.vpro.nl/programmas).
    Ongeveer 8.500 van alle 42.000 krijgsgevangen KNIL-militairen, ofwel een vijfde, vond de dood.
    De meeste herinneringen aan de Japanse bezetting van Nederlands-Indië zijn opgetekend door de burgers uit de interneringskampen. Er werden, ondanks het verbod, zeer veel dagboeken bijgehouden, zoals bijvoorbeeld de kampaantekeningen van prof. dr. I.J. Brugmans.

    Bronnen:
    - Beelden van de Japanse bezetting van Indonesië. Persoonlijke getuigenissen en publieke beeldvorming in Indonesië, Japan en Nederland. Redactie: Remco Raben Waanders-NIOD 1999.
    - Informatie Broeders van Huijbergen, algemeen overste broeder Eduard Quint
    - Data privécollectie John T.S. Brouwer de Koning versie 4.3
    - www.go2war2.nl
    - www.cofepow.org.uk/remembrance
    - Foto’s tenzij anders vermeld: www.museumverbindingsdienst.nl/leven3


  • 15 Augustus en de oorlog in ZO-Azië

    Stichting Herdenking 15 augustus 1945

    Waarom herdenken op 15 augustus?

    De 5de mei is de dag waarop jaarlijks officieel de bevrijding van de Duitse overheersing wordt herdacht. Maar toen op 5 mei 1945 de Duitsers capituleerden, drukte de Japanse overheersing van het voormalige Nederlands-Indië nog zeer zwaar op allen die daar toen woonden. Voor de Nederlanders uit dat vroegere Indië geeft daarom de datum van de capitulatie van Japan, de 15e augustus 1945, en daarmee het werkelijke einde van de Tweede Wereldoorlog, het keerpunt in hun geschiedenis aan.

    Anders dan in Nederland, bracht de datum waarop de overheerser capituleerde geen bevrijding. Toen Japan zich overgaf, waren er nog geen geallieerde troepen Indië binnengetrokken. De Japanse militairen mochten niet meer de Japanse doelstellingen nastreven, maar kregen opdracht orde en rust te bewaren totdat de geallieerde troepen de macht konden overnemen.
    Maar twee dagen na de capitulatie van Japan, besloot een invloedrijke groep Indonesiërs de Republiek Indonesië onafhankelijk te verklaren, onafhankelijk van Nederland én onafhankelijk van Japan. Als gevolg daarvan begonnen Indonesische strijdgroepen alles in het werk te stellen om wapens van het Japanse leger te bemachtigen om te voorkomen dat de Nederlanders hun voormalige machtspositie zouden terugkrijgen; het begin van de onafhankelijkheidsoorlog was een feit en ging met veel afschuwelijk geweld gepaard.

    Voor de Nederlanders in het vroegere Indië bracht de 15e augustus 1945 dus niet alleen geen bevrijding, in feite markeert die datum het begin van het definitieve einde van het Nederlands-Indië waar zij opgegroeid waren, hadden gewoond, gewerkt en in de oorlog hadden geleden. Velen van hen, gaven - en geven soms nog steeds - de Japanners de schuld van het definitieve verlies van hun land van herkomst.
    De 15e augustus is elk jaar de dag waarop al die ingrijpende gebeurtenissen voor de Nederlanders in Z.O.-Azië en de mensen, die als gevolg daarvan het leven lieten, worden herdacht.

    Waarom ontstond de Japanse agressie en wat waren de gevolgen?

    Weinigen staan stil bij het feit dat Nederland in de 19e eeuw een belangrijke bijdrage heeft gegeven aan de metamorfose die Japan toen onderging, namelijk van een van de buitenwereld afgezonderd land naar een internationaal belangrijke industriële mogendheid. Nederland heeft Japan ondermeer op het gebied van de scheepsbouw veel geleerd en daarmee Japan in staat gesteld een geduchte zeemacht te worden.

    Door de sterke industrialisatie werd Japan geconfronteerd met het feit dat het zelf weinig of geen essentiële grondstoffen had. Kijkend naar de Westerse mogendheden die rond 1900 zich via koloniën voorzagen in die behoefte (Nederland vocht toen bijv. in de Indische archipel om het olierijke Atjeh), liet Japan het oog vallen op Mantsjoerije, waar echter ook Rusland een vinger in de pap wilde hebben. Dit resulteerde in de Japans-Russische oorlog die voornamelijk op zee werd uitgevochten en die in 1905 door Japan werd gewonnen.
    Met dit wapenfeit zette Japan zich op de wereldkaart. Maar de Westerse mogendheden stonden Japan niet toe zich Mantsjoerije toe te eigenen; wel gingen zij akkoord met het koloniseren door Japan van Korea en Taiwan.


    Foto: www.sh15aug1945.nl

    Dit kleineren van Japan door het Westen was de Japanse militairen een doorn in het oog. Na de dood in 1912 van de Japanse keizer Meiji, onder wiens bewind Japan zich industrieel zo ontwikkeld had, werd diens lichamelijk en geestelijk weinig sterke zoon keizer. Gedurende zijn zwakke bewind, dat in de Japanse jaartelling de Taisho-periode wordt genoemd, zorgden de militairen ervoor dat diens zoon Hirohito, en kleinzoon van de glorieuze Meiji-keizer, van kinds af aan sterk militairistisch werd opgevoed en getraind. Hoewel Hirohito geen martiale uitstraling had, bleek hij intellectueel militair wel begaafd te zijn.

    Toen Hirohito in 1926, na de dood van zijn vader, keizer werd - de Showa-periode in de Japanse jaartelling - zagen de militairen kans om langzaam maar zeker de Japanse staat naar hun hand te zetten. Het resultaat was uiteindelijk een militiare dictatuur waaronder de Japanse burgers, door middel van indoctrinatie van opofferingsgezindheid voor de keizer, tot medio 1945 zouden zuchten. Die indoctrinatie ging zover dat van iedereen verwacht werd zijn of haar leven voor de keizer te willen geven. Eén van de gevolgen was dat veel militairen voor in de naam van de keizer begane oorlogshandelingen en (gruwel)daden geen schuldgevoel konden opbrengen.

    In 1931 slaagde het Japanse leger erin, via een uitgelokt 'incident', Mantsjoerije te annexeren en zo de 'rechtmatige prijs' van de gewonnen Russisch-Japanse oorlog alsnog binnen te halen. Toen dat gelukt was, en de internationale gemeenschap wel protesteerde maar verder niets deed, werd de blik op China gericht. Ook de Westerse mogendheden waren hun invloed in China aan het uitbreiden - er was in Sjanghai een Engelse, Duitse en Franse enclave en de Engelsen probeerden met de invoer van opium de wankele Chinese regering onderuit te halen. Japan echter vond dat 'Azië voor de Aziaten' bestemd was.

    In 1933 verliet Japan doelbewust de Volkenbond. Het onttrok zich daarmee aan de internationale vlootverdragen, waarmee de internationale gemeenschap de uitbouw van de Japanse vloot dacht te blokkeren. Japan maakte nu plannen voor een zeer sterke gewapende macht, en voerde die ook uit. Zo bouwde het zware kruisers die 30% groter waren dan hun vermoedelijke tegenstanders, hun superslagschepen zelfs bijna 50%. De nieuwe Japanse torpedo was bijna twee keer zo groot, reikte drie keer zo ver en had geen zichtbare bellenbaan. Het leger, inmiddels gehard in jarenlange veldtochten, specialiseerde zich in het gevecht in de jungle; daarvoor was een effectief geweer ontwikkeld. Het Mitsubishi jachtvliegtuig, de 'Zero' jager zou door zijn wendbaarheid in het eerste oorlogsjaar de grote verrassing worden voor de geallieerden.



    In weerwil van deze militaire overmacht stagneerde de in 1936 gestarte opmars in China, een doorstoot naar het binnenland en naar de verplaatste hoofdstad Tsjoengking bleef uit. Ondanks meerdere landingen en massa-executies als de 'Rape of Nanking' - waarbij honderdduizenden burgers afschuwelijk vermoord werden - hadden leger en marine te weinig successen te melden ter bevestiging van hun heroïek.
    Om zich uit deze knellende situatie te bevrijden besloten de Japanse militairen, met medeweten van keizer Hirohito, heel Z.O.-Azië onder controle te krijgen. De eerste stap van dit Nanjo-plan was het bezetten van enkele strategische eilanden ten zuiden van China in voorjaar 1939. Door de alliantie met Duitsland kon vervolgens de vrije toegang tot Frans Indo-China in september worden afgedwongen van de collaborerende Vichy-regering in Frankrijk. Dit leidde tot onderhandelingen met de Verenigde Staten, die dreigde met een olieboycot als China en Indo-China niet ontruimd werden. Tegelijkertijd stuurde Japan een delegatie naar Batavia om de levering van olie uit Nederlands-Indië te regelen. De afwijzing daarvan eind juni 1941 door het Indische Gouvernement en het olie-embargo van de Verenigde Staten in augustus 1941 werden in Japan uitgelegd als de samenzwering van wat toen genoemd werd de ABCD-landen (the Americans, the British, the Chinese and the Dutch).



    Hierop ontstond het gedurfde plan om door een aanval op Pearl Harbor in één klap de Amerikaanse vloot in de Pacific uit te schakelen, waarna de weg open zou liggen naar Malakka, Singapore, het olierijke Nederlands-Indië, de Philipijnen en zelfs Australië.

    Op 7 december 1941 bombardeerden de vliegtuigen van de Japanse marine Pearl Harbor en openden daarmee de oorlog in de Pacific. Die Japanse aanval werd een groot succes, ook omdat in de dagen daarna de Japanse luchtmacht in de Philippijnen de helft van de Amerikaanse bommenwerpers vernietigde en bij Singapore de Britse slagschepen met torpedo's en bommen tot zinken bracht. In de tijd van een paar weken veroverde Japan vervolgens inderdaad Malakka, Singapore, Nederlands-Indië en de Philippijnen.
    De strijd was kort omdat de geallieerden - waaronder de Nederlanders - de kracht, de technische uitrusting en de taaie volharding van het Japanse militaire apparaat volledig onderschat hadden. In Nederlands-Indië had de overheid bovendien er niet op gerekend dat de lokale bevolking de Japanners aanvankelijk als 'bevrijders' zou binnenhalen en toejuichen. Op 15 februari ging de Nederlandse vloot bij de Slag in de Java Zee ten onder en op 8 maart 1942 capituleerde het Koninklijk Nederlands Indisch Leger.

    Het Japanse beleid ten aanzien van de Europeanen

    Door de snelle overgave van de geallieerden vielen vele tienduizenden krijgsgevangen in Japanse handen. De Japanse militairen zelf waren geïndoctrineerd dat ze zich nooit mochten overgeven, maar zich letterlijk dood moesten vechten. Zij hadden daarom weinig respect voor de geallieerde krijgsgevangenen en wisten aanvankelijk met die grote aantallen krijgsgevangenen ook geen raad. Al snel werd besloten deze krijgsgevangen als dwangarbeiders in te zetten. Het begon met het laden en lossen van schepen, daarop volgde de aanleg van vliegvelden (o.a. in de Molukken en op Flores) en van spoorlijnen (o.a. de Birma-spoorweg en de Pakan Baroe-spoorweg), en uiteindelijk ook het werk in de mijnen en scheepswerven in Japan.



    Bij de capitulatie op 8 maart 1942 maakte het Japanse leger op Java bijna 90.000 krijgsgevangenen: 67.000 KNIL-militairen en bijna 22.000 Britten, Australiërs en Amerikanen. Van de KNIL-militairen ontsnapten er 9200 en werden 15.000 inheemsen geronseld als Heiho-hulpsoldaten voor het Japanse leger. Uiteindelijk gingen bijna 43.000 mannen in krijgsgevangenschap, waaronder bijna 5000 inheemse militairen die Nederlands-Indië trouw bleven.
    De omstandigheden waaronder deze krijgsgevangenen aan het werk werden gezet waren zowel qua huisvesting in de kampen, voeding als gezondheidszorg erbarmelijk. Bovendien was er sprake van een schrikbewind waarbij doden niet geteld werden. Van 8 maart 1942 tot en met 15 augustus 1945 zijn zo'n 8.500 KNIL krijgsgevangenen uit Nederlands-Indië omgekomen (3.100 aan de Birma-spoorweg; 1.000 aan de Pakan Baroe-spoorweg; 3.100 bij de torpedering van krijgsgevangen-transportschepen - alleen al bij de ondergang van de Junyo Maru lieten 1600 krijgsgevangenen het leven plus circa 4000 Indonesische romusha's - , 600 bij de aanleg van vliegvelden e.d. en 700 in de kampen in Japan). Van de Nederlandse, Britse en Amerikaanse krijgsgevangen haalde één op de vier à vijf het einde van de oorlog niet.



    Tussen midden 1942 en begin 1943 werden geleidelijk ook alle Nederlandse burgers geïnterneerd. Ook de Indo-europeanen, waarvan meer dan de helft van de voor-ouders blank was, moesten dat lot ondergaan. In feite wilden de Japanners door de Nederlanders te interneren hen 'onzichtbaar' maken voor de lokale bevolking. In totaal ging het om bijna 100.000 personen, 33.000 mannen en jongens, 67.000 vrouwen en kinderen. De leeftijdsgrens voor het interneren van jongens in mannen- of jongenskampen zakte geleidelijk van 15 jaar naar 10 jaar (dat is niet overal doorgezet omdat in een aantal kampen moeders zich daartegen met succes hebben verzet. Ook het afvoeren van meisjes naar bordelen is in een aantal gevallen door moeders met succes geblokkeerd. Dit neemt niet weg dat begin 1944 er toch meisjes naar bordelen zijn afgevoerd).



    Veel interneringskampen waren in het begin niet meer dan strikt afgeschermde stadswijken; in 1944 werden de bewoners van enige honderden 'wijken' geconcentreerd en in enkele tientallen overvolle barakken-kampen gepropt. In de loop van de oorlogsjaren verslechterde ook de voedingssituatie en de hygiëne. Daarnaast zorgde het brute optreden van de Japanners en hun handlangers (Koreanen en Indonesische hulpsoldaten of Heiho's) voor een sfeer van constante angst.
    Aan het eind van de oorlog bleek dat er in de burgerkampen rond 16.800 mensen zijn omgekomen, naar verhouding meer mannen dan vrouwen en kinderen.



    Voor diegenen met Indisch bloed die buiten de kampen mochten blijven, was de situatie vaak minstens even zorgelijk. Doordat de kostwinner in veel gevallen als krijgsgevangene wel was geïnterneerd, ontbrak het vele gezinnen aan inkomen en moesten de vrouwen maar zien hoe ze de kost bij elkaar kregen. Bovendien waren ook zij onderhevig aan de willekeur van de Japanse meesters, waaronder ook dwangprostitutie.

    Het wederzijds niet begrijpen van elkaars cultuur heeft in veel situaties verschrikkelijke gevolgen gehad. Het verplicht buigen stond gelijk aan de groetplicht in het leger en was niet zozeer als treiterij bedoeld. In het Japanse leger zelf was slaan, of waren zware lijfstraffen en zelfs het ter dood brengen, een normale tuchtmaatregel. In de ogen van de bezetter was een pak slaag een humane straf, een celstraf een grotere schande omdat het meer gezichtsverlies gaf. Als je ter dood moest worden gebracht was onthoofding eervoller dan de kogel en dat was weer eervoller dan bajonettering.



    De 'humane' straf van slaan en afrossen kon iedereen overkomen, dit kon iedere Japanner iemand aandoen. Ook een onschuldige kon dit overkomen: werd de 'schuldige' niet gevonden, dan werd al snel een ander gegrepen of een hele groep gestraft. Waren voor de krijgsgevangenen deze straffen al moeilijk te verkroppen, voor vrouwen, jonge jongens en meisjes en oude mannen was dit bijna nog gruwelijker. Voor velen was de geestelijke beschadiging groot. Het herstel daarvan - voor zover mogelijk - kon ook na de oorlog nog jaren vragen.

    Van een systematische verzetsbeweging kon bijna geen sprake zijn. Dat neemt niet weg dat er overal groepjes zijn geweest die manhaftig geprobeerd hebben het de Japanners moeilijk te maken. Aangezien de Japanners er - ten onrechte - van overtuigd waren dat achter het verzet een strakke organisatie schuilde met een van te voren beraamd strategisch plan, deden zij alle moeite dit verzet uit te roeien. Zo zijn veel van die groepen door de Japanse militaire politie, de Kempei Tai, opgerold en betrokkenen hebben bij hun ondervraging de meest gruwelijke folteringen moeten ondergaan.
    Vrijwel niemand van hen heeft het kunnen navertellen. Ook veel onschuldigen hebben zo het leven moeten laten, vooral in Sumatra en Borneo. Eén van de redenen waarom verzets- en guerilla-achtige eenheden vaak geen kans kregen, was de passieve houding van de lokale bevolking. Een deel van die bevolking koos, vooral in het begin, voor de nieuwe heerser. De sympathie van de bevolking voor de Japanners werd allengs echter, en zeker vanaf 1944, veel minder, maar de Kempei Tai had een geraffineerd kliksysteem ingevoerd waardoor de bevolking geen kant meer uit kon.

    Politieke ontwikkelingen buiten de kampen

    Kort na de capitulatie van het KNIL wapperde hier en daar de Indonesische vlag en werd ook het volkslied wel gezongen. Maar al op 20 maart 1942 werden die uitingen door de bezetter verboden. Het streven naar autonomie voor Indonesië werd vakkundig gesmoord. Het ronselen en trainen van Indonesiërs voor het Heiho-hulpleger en het PETA-vrijwilligerskorps was, vanuit de Japanse optiek, uitsluitend bedoeld ter ondersteuning van de Japanse oorlogsinspanning.
    Het was niet meer 'Azië voor de Aziaten', maar 'Japan het licht, de beschermer en de leider van Azië'. De oprichting van vele soorten van federaties werd gelast: voor alle Moslems, alle Chinezen, Arabieren, en ook voor de (nog) vrije Indo-Europeanen. Zo ook federaties voor alle suikerfabrieken, winkeliers, handelaars, journalisten, artsen en apothekers.



    Rijstdistributie werd ingevoerd en de alleenverkoop van landbouwproducten aan Japan. Particuliere landerijen werden onteigend en onder beheer gesteld. Prijzen, salarissen en huren werden verlaagd en bevroren. Alle scholen werden gevorderd.



    In 1942 werden opgericht de Keibodan (hulppolitie), de Barisan Pemoeda Asia Raya (groot-Aziatisch jeugdkorps), dat later opging in de Seinendan (de militaire jeugdbeweging). Verder werd het Tonarikumi systeem ingevoerd voor de buurtgewijze indeling van kampongs en dessa's in een Aza (of wijk). Hiermee kon de Japanse invloed tot diep in de samenleving doordringen.

    Vooraanstaande Indonesiërs kregen in december 1942 opdracht voor het ontwerpen van een overkoepelende organisatie de 'Poetera' (Poesat Tenaga Rakjat, of centrum van volkskracht) tot bundeling van de volksaktiviteit en samenwerking met Japan. Deze koepel was aanvankelijk uitsluitend bestemd voor Indonesiërs en had een Indonesische signatuur; een jaar later zou zij worden omgezet in een organisatie naar Japanse snit: de Djawa Hokukai (Nationale Volksbeweging).
    Veel hand- en spandiensten voor Japan werden hierdoor geregeld. Werving voor PETA, Heiho, Keibodan en Seinendan (leger, hulpmilitie, hulppolitie en jeugd) werd via het Tonarikumi systeem afgedwongen; aanwijzing voor romusha-dwangarbeid werd geïntensifieerd, acties tegen niet-loyale Indische Nederlanders gestart. Verder werden verplichte rijstleveranties opgelegd, er kwam controle op de oogst en gedwongen verbouw; de Seinendan ging op speurtocht naar verborgen voedselvoorraden. De verbouw van Djarak-planten (een ricinus-plant die oliehoudend is) werd verplicht voor de winning van motorolie voor Japanse vliegtuigen. Er kwam in 1944 een gedwongen spaaractie, Indonesiërs met spaarbankboekjes moesten hun tegoeden afstaan.
    De werving van romusha's of werksoldaten heeft een ongekende omvang gehad. De meesten zijn op Java en Sumatra ingezet voor de aanleg van vliegvelden en spoorwegen. Verder voor de kolenmijnen in Borneo, de nikkelwinning in Celebes en voor vliegvelden in Nieuw-Guinea. De romusha's moesten onder de meest erbarmelijke omstandigheden (nog slechter dan die van de krijgsgevangen dwangarbeiders) aan het werk en stierven bij bosjes. Volgens Indonesische schattingen uit 1951 zijn er gedurende de oorlog enige miljoenen romusha's afgevoerd en vele honderdduizenden omgekomen.

    In weerwil van de vele vergaderingen van een groot aantal organisaties van de Djawa Hokukai ging het slecht met de welvaart. Na de internering van Europeanen en de toenemende Japanse dwangmaatregelen liepen de cultures achteruit, en werd de volksgezondheid slechter. De prijzen in 1944 onder de Japanse bezetting waren het zesvoudige van die in 1938 onder het Nederlands-Indisch Gouvernement. Rijstrantsoenen waren verlaagd en er kwamen voedselrellen. Kleding was niet meer te krijgen. Goud, zilver en sieraden moesten ingeleverd worden. Autobanden en olie waren alleen verkrijgbaar voor leger en overheid.
    In juli 1944 werden 48 Heiho's gefusilleerd wegens dienstweigering, ook eind 1944 vonden nog verschillende executies plaats. In januari 1945 brak een opstand uit in Blitar onder de PETA, bij de gevechten sneuvelden 68 Indonesische militairen. De bevolking van het rijke Indonesië ging in het laatste oorlogsjaar gebukt onder enorme tekorten aan rijst en andere levensbehoeften, als textiel en brandstof. Er kwam openlijk kritiek op de dwingelandij van de bezetter en zijn onmenselijke behandeling van de romusha's. Dit kon vooral gebeuren omdat er steeds meer berichten doorsijpelden die wezen op een verloren oorlog.
    Door Japan werd begin 1945 voorgesteld om de Hokukai te vervangen door een organisatie Angkatan Baroe: de Nieuw Lichting; in mei 1945 werd ernst gemaakt met een belofte van premier Koiso van september 1944 (acht maanden daarvoor !) voor meer onafhankelijkheid. De rood-witte vlag werd toegestaan, de naam Indonesia werd ingevoerd, commissies deden voorstellen en organisaties maakten zich gereed voor de nationale zaak.

    Het krijgstoneel, de capitulatie, maar geen vrede

    Terwijl de Japanners heer en meerster van de Indische archipel waren, speelden de gevechten met de geallieerden, en met name de Amerikanen, zich aan de rand daarvan af. Omdat de Japanse opmars naar het zuiden in mei en juni 1942 al vastliep door resp. de verloren slag in de Koraalzee en de slag om Midway, en dit nieuws via klandestiene radio's in de interneringskampen bekend werd, ontstond er bij de (krijgs-)gevangenen het idee dat de oorlog wel snel afgelopen zou zijn. Niets was minder waar.
    De Japanners verdedigden de door hen veroverde gebieden met man en macht en ten koste van enorme verliezen, ook aan Amerikaanse zijde. Daarom besloot het Amerikaanse oppercommando om niet eerst Indië te bevrijden maar om via twee aanvalsrouten zo snel mogelijk tot Japan zelf door te stoten. De westelijke route ging over de Phippijnen, de oostelijke langs eilanden in de Pacific. Kleine eilanden werden zo van enorm strategisch belang omdat zij vliegvelden konden opleveren van waaruit bommenwerpers het volgende doel en tenslotte Japan konden gaan bestoken.



    Eén zo'n eilandje, het berucht geworden Iwo Jima (van de foto waar 5 mariniers de Amerikaanse vlag plantten) is in vier weken op de Japanse bezetting veroverd, waarbij de gehele Japanse bezetting van 22.000 man zich heeft doodgevochten en de Amerikanen bijna 7.000 doden en 19.000 gewonden te betreuren hadden. Deze onvoorstelbare grote verliezen, die zich ook hadden voorgedaan bij de verovering van Nieuw Guinea en de Philippijnen hebben het Amerikaanse opperbevel doen beseffen dat een invasie van Japan zelf een massaslachting van ongekende omvang zou opleveren. Toen op dat moment de eerste atoombommen operationeel beschikbaar kwamen, is besloten dat wapen in te zetten. Zo werden op 6 en 9 augustus 1945 de steden Hiroshima en Nagasaki met de grond gelijk gemaakt. Het aantal doden dat toen (en ook later als gevolg van straling) is gevallen is vele malen minder dan het aantal dat bij een invasie de dood zou hebben gevonden. Ook Nederlandse gevangenen kwamen om het leven. Ronald Scholte (1924) overleefde de aanval op Nagasaki (zie Verhalen).
    Het schokeffect was zodanig dat de Japanse keizer, tegen de zin van het leger, besloot om op 15 augustus 1945 te capituleren.





    Voor veel mensen in de interneringskampen, maar ook voor hen die niet geïnterneerd waren, kwam de capitulatie net op tijd. De gezondheidssituatie was dermate slecht (dysenterie, malaria, honger-oedeem), dat het aantal doden aanzienlijk groter zou zijn geweest als de oorlog een paar maanden later geëindigd was.



    Doordat de geïnterneerden gedurende de oorlogsjaren afgesneden waren van de buitenwereld konden zij niet waarnemen dat het nationalisme in Indonesië in brede lagen van de bevolking wortel geschoten had. Toen de Nederlanders, na de capitulatie van Japan, dachten het leven van vóór de oorlog weer te kunnen oppakken, werden zij geconfronteerd met het feit dat op 17 augustus 1945 de Indonesische nationalisten Soekarno en Hatta de onafhankelijke Republiek Indonesia hadden uitgeroepen.



    Daarop kwamen Indonesische strijdgroepen ('Pelopors' of voorlopers/ voorhoede vechters) in actie, die zich ten doel hadden gesteld de Nederlanders en hun Indo-europese 'aanhang' te vermoorden, zodat het koloniale bewind niet hersteld zou kunnen worden. In deze bittere, verwarrende en bloedige periode, de 'bersiap' ('bersiap' is het Indonesische commando 'geeft acht'), probeerden de inmiddels hier en daar gelande Engelsen en Ghurka's - samen met de Japanners - de Nederlanders te beschermen en te evacueren. In de steden Bandoeng en Semarang zijn het zelfs de Japanse lokale commandanten (resp. generaal Mabuchi en majoor Kido) geweest die de Nederlanders effectief beschermd hebben tegen de Indonesische strijdgroepen, ondanks het feit dat zij zelf vóór de onafhankelijkheid waren.
    Veel Indo-europeanen en Chinezen, die tijdens de oorlog buiten het kamp bleven, werden nu door de Indonesische politie geïnterneerd om ze te beschermen tegen die strijdgroepen die hen, samen met de Hollanders, wilden afslachten.

    Hoewel de Nederlandse overheid eind 1945 weer terug was in Batavia (Jakarta) en sommige delen van het land weer onder Nederlands gezag begonnen te functioneren, bleek de Indonesische 'overheid in wording' in veel streken het gezag uit te oefenen.
    Nederland wilde nog niet de realiteit onder ogen zien, dat Indonesië een zelfstandig land was geworden. Ondanks het feit dat Nederland zelf net vele jaren van oorlog en onderdrukking achter de rug had, werd een troepenmacht van zo'n 100.000 man naar Indië gestuurd. [Red.: 150.000 man is het inmiddels aangehouden aantal, o.a. genoemd in de tv-documentaire 'Nederland valt aan!' van 21 juli 2012.]
    Na vele mislukte onderhandelingen en twee militaire acties (de zogeheten 'Politionele Acties' van juli 1947 en december 1948), die onder externe internationale druk beide binnen tien dagen moesten worden afgebroken, erkende Nederland in 1949 het rechtmatig bestaan van de Republiek Indonesië. In december van dat jaar werd het gezag overgedragen, en kwam er een eind aan 350 jaar Nederlandse betrokkenheid in de Indische archipel.



    Een grote stroom repatrianten van Indonesië naar Nederland was het gevolg. Het toen gebruikelijke woord 'repatriant' gaat echter voorbij aan het feit dat velen van hen nog nooit een voet op Nederlandse bodem hadden gezet en dat de aankomst in Nederland en het 'verlies van Indië' emotionele schokken teweeg hebben gebracht waar velen van hen nooit helemaal overheen gekomen zijn. Veel gerepatrieerden moesten bij het vinden van een nieuw bestaan veel problemen overwinnen, voor hun verhalen over wat zij hadden meegemaakt was geen aandacht en zij proefden bij sollicitaties vaak duidelijke, onredelijke argwaan.
    En dan waren er de Molukkers en Indo's, die na vijftien jaar onzekerheid over hun bestaan alsnog de wijk moesten nemen naar een koud land, dat zij alleen uit verhalen kenden.

    En tenslotte de allerjongsten, die zich jarenlang verloren voelden in een onbegrepen en onduidelijk gebleven maalstroom; die in hun jeugd geen geborgenheid kenden, maar alleen onzekerheid en angst en die dit manco soms nog lang met zich meedroegen.
    Op een andere manier wachtte zo'n schok ook de militairen van het KNIL en de Kon. Landmacht, die hun plicht hadden gedaan tegenover Regering en Vorstin, en die in de loop van de jaren getrakteerd werden op emotionele en vaak onterechte kritiek op hun 'vuile' oorlog.

    Daarom heeft voor de Nederlands-Indische gemeenschap in Nederland de herdenking op de 15e augustus een eigen veelomvattende betekenis, een betekenis die nooit door de herdenking op 4 en 5 mei kan worden overgenomen.

    Tekst: Hans Liesker en Peter Slors
    Stichting Herdenking 15 augustus 1945


    Nederlands-Indië (homoseksuelen)

    Een nog vrij onbekend hoofdstuk vormt de positie van homoseksuelen in Nederlands-Indië in de jaren dertig en veertig van de 20e eeuw. Marieke Bloembergen publiceerde erover in haar 'De geschiedenis van de politie in Nederlands-Indië. Uit zorg en angst.' (Boom/KITLV, november 2009). Dieptepunt vormde een razzia op homoseksuele mannen uit de koloniale elite tussen november 1938 en januari 1939. Deze was aangesticht door de Javabode, wiens hoofdredacteur sympathiseerde met de NSB, en de Christelijke Staatspartij. Ook de resident van Batavia en hoofd van de politie, Fievez de Mailines van Ginkel, was slachtoffer. De bekendste van de 223 arrestanten woonde op Bali. Het was de vermaarde Duitse kunstenaar Walter Spies.

    Walter Spies
    De in Rusland geboren, veelzijdige Duitse schilder en kunstenaar Walter Spies (1895-1942) was na zijn komst naar Bali (1927) het middelpunt geworden van een 'Artisten Coöperatie' met de naam Pita Maha. De coöperatie omvatte Balinese kunstenaars. Spies had internationale faam en werd op Bali bezocht door beroemdheden als Charley Chaplin, de cultureel antropoloog Margaret Mead, de schrijfster Vicky Baum en de filmmaker Von Lessen. De laatste drie produceerden er belangrijke werken.


    Walter Spies (foto: adhidharma.net)

    In december 1938 werd Spies gearresteerd vanwege de 'ongebreidelde sensualiteit' in de groep waarvan hij het centrum was. Zijn arrestatie maakte deel uit van een heksenjacht tegen al of niet vermeende homoseksuelen in Nederlands-Indië. De resident van Batavia en hoofd van de politie aldaar, Feviez de Malines van Ginkel en vele andere leidende figuren werden opgepakt. De jacht was een echo van de affaire-Ries in Nederland. De joodse topambtenaar L.A. Ries werd in 1936 ten onrechte beschuldigd van seksuele handelingen met een minderjarige (onder de 21 jaar) en moest aftreden. De affaire paste in het politiek conservatieve klimaat van de crisistijd, waarin nazi-Duitsland dreiging en inspiratie was. In Indië was ook crisis en oorlogsdreiging, hier vanuit Japan.
    Walter Spies kreeg in zijn cel de gelegenheid verder te schilderen en vergeleek zijn gevangenschap met het schudden van vloeistoffen 'voor gebruik'. Bevriende Balinezen hielden een gamelan-concert bij het gevang. In de cel in Surabaya schilderde hij een van zijn beste werken, 'The landscape and its children'. Na acht maanden kwam hij vrij. Een tweede arrestatie, om andere redenen, volgde in mei 1940. Spies was Duitser en behoorde vanaf de bezetting van het koloniale moederland tot een vijandige natie. Hij werd geïnterneerd in kamp Ngawi op Oost-Java en Kotatjane op Sumatra. Deze keer kwam hij niet vrij. Ook kreeg hij geen toestemming om zijn schilderspullen uit Bali te laten overkomen.


    SS Van Imhoff (foto: photoship.co.uk)

    Met vermoedelijk 477 andere Duitse gevangenen werd hij vanwege de Japanse dreiging begin 1942 op de ss Van Imhoff (KPM) naar Brits Indië vervoerd. Het schip werd een dag na vertrek op 18 januari, niet ver van het eiland Nias bij West-Sumatra, aangevallen door een Japanse bommenwerper. De kapitein wilde de geïnterneerden niet zomaar vrijlaten. Hij ging met de bemanning, de soldaten en de bewakers, rond 140 man, in de beschikbare reddingsboten het vaartuig af en liet de gevangenen ingesloten door prikkeldraad in het ruim achter. Op het laatste moment werden hen kniptangen gegeven. Ongeveer de helft kon zich uit het langzaam zinkende schip redden. Een overlevende, J. Grashoff, zag de boten met de Nederlanders, waar nog veel plaats was, op 500 meter afstand liggen. Een Nederlands schip dat op het alarmsignaal van de Van Imhoff had gereageerd, bood geen hulp toen men merkte dat het om Duitsers ging. Van de geïnterneerden die uit het schip hadden weten te komen kwam na vijd dagen een groep van 67 op het eiland Nas aan. Walter Spies behoorde tot de naar schatting 411 Duitsers die bij de ondergang van de Van Imhoff, of in de dagen daarna, om het leven kwamen. Een Nederlandse oorlogsmisdaad?
    Werken van Walter Spies zijn te zien op Bali in het Agung Rai Museum of Art (ARMA) en het Rautenstrauch-Joest Museum in Keulen, waar ook de Walter Spies Society is gevestigd.

    Bronnen:
    - www.nos.nl/nosjournaal/artikelen/2009/11/14/141109_jacht_op_homos_indie.html
    - NOS-documentaire uit 1981 over Walter Spies: Schoonheid en Rijkdom
    - www.walterspies.com/walter_spies_biography.html
    - www.adidharma.net/features/walterspies.jpg
    - en.wikipedia.org/wiki/Walter_Spies
    - users.skynet.be/network.indonesia/bart003.htm
    - www.nrcboeken.nl/recensie/rederij-koninklijke-paketvaart-maatschappij-wel-en-wee-van-een-indische-rederij-door-a-j-j-
    - www.volkskrant.nl/archief_gratis/article624087.ece/Wie_was_mr_L.A._Ries
    - www.nieuwsdossier.nl/dossier/1941-01-19 [verkeerd jaar]
    - Ad van Liempt, De Oorlog. Drama's in de Indische archipel. Volkskrant 5 dec. 2009

    Herdenkingstoespraak dr. Bernard Bot, minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden
    Den Haag, 15 augustus 2005


    Foto: www.minbuza.nl

    Geachte aanwezigen, dames en heren,

    De Stichting Herdenking 15 augustus 1945 ben ik dankbaar voor de mogelijkheid vandaag de herdenkingstoespraak te houden. Dat is voor mij, als minister van buitenlandse zaken en vertegenwoordiger van de regering, een eervolle taak. Maar ik sta hier ook, net als velen van u, als een kind van Indië. Net als bij u roept deze herdenking bij mij gevoelens en emoties op, komen op deze dag zowel positieve als negatieve herinneringen boven aan Indonesië, 5 tijdzones en 14.000 kilometer van deze plek verwijderd, maar gevoelsmatig toch zo nabij. Het zijn herinneringen die je de rest van je leven meedraagt, maar een optimistische en toekomstgerichte levenshouding niet in de weg hoeven te staan. Immers, herdenken is, naast herinneren, ook vooruitzien.

    Eerst het verleden: met de capitulatie van Japan, precies 60 jaar geleden, kwam ook een einde aan de Japanse bezetting van Nederlands Indië, een bezetting die zovelen van ons leed had berokkend. Wij gedenken de familieleden en vrienden die tijdens de Japanse bezetting het leven lieten of hebben geleden. Wij gedenken ook de talloze Indonesische dwangarbeiders, de Romusha’s, die vaak naamloos stierven.

    Na de capitulatie was het leed, in tegenstelling tot wat toen vurig werd gehoopt, nog niet geleden. Meteen na de capitulatie ontstond een machtsvacuüm dat slechts geleidelijk kon worden opgevuld door de Britten. Tijdens deze zogeheten Bersiap-periode verloren vele duizenden onschuldige Nederlands-Indische en Indonesische burgers, veelal vrouwen en kinderen, het leven.

    In de jaren daarna volgde een pijnlijke, langdurige en gewelddadige scheiding der wegen tussen Indonesië en Nederland. Voor wat betreft grote delen van de Nederlands-Indische gemeenschap spreken wij dus over vele jaren van fysiek en psychisch leed.

    Zelf kijk ik met gemengde gevoelens terug op mijn kamptijd in Tjideng. Als kind word je misschien iets minder snel geraakt door het leed en de ontbering om je heen, vat je de dingen wat makkelijker op. Maar je wordt ook sneller volwassen. Een verblijf in het weeshuis, toen mijn moeder in het ziekenhuis werd opgenomen, maakte mij, zoals dat heet, vroeg “streetwise”.

    Waarschijnlijk daarom staat die periode scherp in mijn geheugen geëtst. Ik herinner me nog levendig de internering, het vertrek van mijn vader naar Birma, de koempoelans ‘s-morgens en ‘s-avonds, het urenlange wachten en daarna buigen voor kampcommandant Soni. Ook weet ik dat je duizend angsten uitstond als je wegens ziekte niet bij de koempoelan aanwezig kon zijn, omdat de Japanners je zouden kunnen betrappen bij een controle. De herinnering aan de honger is iets dat, denk ik, bij mijn generatie sterk voortleeft in de zin dat je niet snel iets weggooit wat nog enigszins eetbaar is.

    Een kleine anekdote. Wij werden verplicht een soort volkstuintjes aan te leggen zogenaamd om wat groente te verbouwen. Ik was aangewezen mee te werken aan een tomatenbed. Groot was mijn teleurstelling toen op een kwade ochtend bleek dat alle zo goed als rijpe tomaten waren verdwenen.

    Ik verdacht mijn buurjongen van deze euvele daad en besloot tot retaliatie. Alleen, bij hem waren de tomaten nog onrijp en groen. Ik heb ze toch verorberd en heb dat moeten berouwen. Niet lang daarna voelde ik me doodziek worden en moest mijn moeder opbiechten wat ik had gedaan. “Jongen”, zei ze, “zo komt boontje altijd om zijn loontje”.

    Er wordt weer veel geschreven over de Japanse capitulatie. Natuurlijk is het verschrikkelijk wat er in Hiroshima en Nagasaki is gebeurd. Maar ik weet ook dat de oorlog niet veel langer had moeten duren of wij hadden dat kamp niet overleefd. En mijn vader zou zeker niet zijn teruggekeerd uit Birma en Siam. 15 Augustus is daarom een dag die voor mij een speciale betekenis heeft.

    De bevrijding, de terugkeer van mijn vader die ik uiteraard bij die eerste ontmoeting niet kende, de terugkeer in Nederland zijn evenzovele onuitwisbare herinneringen die ik graag met U hier vandaag deel. De ontvangst in Nederland kwam enigszins als een koude douche. En ik zeg dat niet vanwege het koude klimaat waarin ik terecht kwam. Het was moeilijk uit te leggen wat wij hadden ondergaan. Steevast kwam er als reactie dat bij ons in Indie in ieder geval het zonnetje had geschenen, terwijl zij in de hongerwinter kou hadden geleden. Kortom, al snel werd duidelijk dat niemand in Nederland zat te wachten op die uit Indië afkomstige groep Nederlanders. Je leerde dus al snel niet te veel te praten over wat je had meegemaakt, en juist wel met sympathie te luisteren naar de verhalen over de oorlog in Nederland, de Duitsers en de vernietigingskampen.

    Misschien is dat ook wel de reden waarom wij zo goed en snel in de Nederlandse samenleving wisten te integreren. Misschien daarom hebben we snel pleisters geplakt op al die wonden en gewoon de draad van ons leven weer opgepakt. En natuurlijk was er ook aanleiding om dankbaar te zijn. We hadden het immers overleefd en in ieder geval een nieuw thuis gevonden. Persoonlijk ben ik dus dankbaar dat ik hier voor u mag staan, dat ik zoals zo velen van u die periode goed heb doorstaan en heb laten zien dat je ook gesterkt uit zo’n beproeving te voorschijn kunt komen.

    (Levende geschiedenis)
    Zestig jaar, dames en heren. De afstand in tijd tussen het heden en de gebeurtenissen van toen wordt steeds groter. En brengt dit niet het risico van vergetelheid met zich mee, zoals de heer Boekholt dat twee jaar geleden bij deze gelegenheid schetste? Ik hoop en vertrouw erop dat dit niet zo zal zijn. Ik denk dat ook toekomstige generaties zich zullen blijven interesseren in het gemeenschappelijke verleden van Nederland en Indonesië. Ik denk dat onze jeugd die geschiedenis graag wil adopteren, zoals de scholieren van het Vrijzinnig Christelijk Lyceum het Indië-monument hebben geadopteerd en zoals vele andere scholen bijvoorbeeld militaire begraafplaatsen verzorgen. Maar om de geschiedenis met overtuiging te koesteren, moet in de ogen van onze jeugd het verleden en de kennis van dat verleden ook voor het heden en de toekomst relevant zijn.

    Winston Churchill zei het eens als volgt: hoe verder men terug kan kijken hoe verder men vooruit weet te zien. Inderdaad: historische kennis is geen overbodige luxe, maar een voorwaarde voor een heldere blik op de toekomst. En dat geldt zeker voor de relatie tussen Nederland en Indonesië. Wanneer Nederlanders op welke wijze dan ook in contact zullen komen met Indonesië en Indonesiërs, dan zullen zij iets moeten weten van de geschiedenis van dat land, en dus ook van eeuwen van gedeelde Indonesisch-Nederlandse geschiedenis. Nederlanders die zonder enige kennis van de geschiedenis in Indonesië succesvol zaken denken te kunnen doen, of diplomatie te bedrijven, komen meestal van een koude kermis thuis.

    Wanneer een samenleving de toekomst met optimisme en strijdbaarheid tegemoet wil treden moet zij wel bereid zijn ook over de minder fraaie kanten van de eigen geschiedenis eerlijk te zijn. Zeker in een tijd waarin wij in Nederland - op de werkvloer, in de sportkantine en op school - bruggen willen slaan tussen de diverse etnische en geloofsgemeenschappen in ons land. In de context van deze herdenking betekent dat dan dat wij durven toegeven dat ook na invoering van de zogeheten ethische politiek de belangen van de Indonesische bevolking voor de meeste Nederlanders op zijn best op de tweede plaats kwamen.

    Werken aan een gemeenschappelijke toekomst. Dat moet niet alleen binnen onze samenleving het adagium zijn, maar ook in de relatie tussen Nederland en Indonesië. De uitdagingen die wij gezamenlijk ter hand moeten nemen zijn legio, zoals de strijd tegen intolerantie, extremisme en terrorisme.

    Indonesië is belangrijk. Het is een drijvende kracht achter regionale samenwerking in Zuid-Oost Azië. Indonesië herbergt als seculiere staat meer moslims dan welk land ook ter wereld, maar is tevens hoeder van eeuwenoude, boeddhistische, hindoeïstische en christelijke tradities. Als zodanig heeft Indonesië recht van spreken in de dialoog der culturen. Tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie vorig jaar, hebben wij dan ook veel aandacht besteed aan intensivering van de betrekkingen met Indonesië.

    (Boodschap aan Jakarta)
    Dames en heren, om de relatie tussen Indonesië en Nederland verder te intensiveren is het behulpzaam om wat er nog resteert aan oud zeer weg te nemen, althans voor zover wij dat als Nederlanders in onze macht hebben. Daarom zal ik als vertegenwoordiger van ons land en als vertegenwoordiger van de generatie die de pijn van de scheiding heeft ondervonden, nog vandaag het vliegtuig nemen, die vijf tijdzones doorkruisen en 28000 kilometer afleggen. Op 17 augustus zal ik dan ons land vertegenwoordigen bij de Indonesische herdenking van de op 17 augustus 1945 uitgeroepen onafhankelijkheid. Ik zal aan het Indonesische volk uitleggen dat mijn aanwezigheid mag worden gezien als een politieke en morele aanvaarding van die datum.

    Maar waar het nu in de eerste plaats om gaat is dat wij de Indonesiërs eindelijk klare wijn schenken. Al decennialang zijn Nederlandse vertegenwoordigers op 17 augustus aanwezig bij vieringen van de Indonesische onafhankelijkheid. Ik zal met steun van het Kabinet aan de mensen in Indonesië duidelijk maken dat in Nederland het besef bestaat dat de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië de facto al begon op 17 augustus 1945 en dat wij – zestig jaar na dato - dit feit in politieke en morele zin ruimhartig aanvaarden.

    Aanvaarding in morele zin betekent ook dat ik mij zal aansluiten bij eerdere spijtbetuigingen over de pijnlijke en gewelddadige scheiding der wegen van Indonesië en Nederland. Bijna zesduizend Nederlandse militairen lieten in die strijd het leven, velen verloren ledematen, of werden slachtoffer van psychische trauma’s, waarvoor, opnieuw, in Nederland maar weinig aandacht bestond.

    Door de grootschalige inzet van militaire middelen kwam ons land als het ware aan de verkeerde kant van de geschiedenis te staan. Dit is buitengewoon wrang voor alle betrokkenen: voor de Nederlands-Indische gemeenschap, voor de Nederlandse militairen, maar in de eerste plaats voor de Indonesische bevolking zelf.

    Dames en heren, pas wanneer men op de top van de berg staat kan men zien wat de eenvoudigste en kortste weg naar boven zou zijn geweest. Zoiets geldt ook voor diegenen die betrokken waren bij de besluiten die in de jaren veertig werden genomen.

    Pas achteraf is te zien dat de scheiding tussen Indonesië en Nederland langer heeft geduurd en met meer militair geweld gepaard is gegaan dan nodig was geweest.

    Dit is de boodschap die ik mee zal nemen naar Jakarta. Daarbij hoop ik vurig op het begrip en de steun van de Indische gemeenschap, de Molukse gemeenschap in Nederland en van de veteranen van de politionele acties.

    Immers, om ons gemeenschappelijke verleden levend te houden, hebben wij ook een gemeenschappelijke perspectief op de toekomst nodig. Samen werken aan een gezonde en veilige toekomst van onze samenleving, en aan goede betrekkingen met Indonesië, zal ons helpen ook de meest pijnlijke aspecten van ons verleden dragelijk te maken.

    Ik dank u voor uw aandacht.

    Bron:
    Ministerie van Buitenlandse Zaken


    Herdenkingstoespraak prof. dr. B. Smalhout
    Den Haag, 15 augustus 2004


    Foto: www.meervrijheid.be

    Vandaag is het precies 59 jaar geleden dat het keizerrijk Japan zich overgaf aan de geallieerden. Pas op die dag kwam er een einde aan de Tweede Wereldoorlog. Die was zo gruwelijk geweest dat tot op de dag van vandaag enige mensengeneraties nog steeds lijden aan de lichamelijke maar vooral ook geestelijke beschadigingen die ze tussen 1942 en 1945 hebben opgelopen.

    In ons land zijn er twee bevolkingsgroepen bij welke het verdriet nooit slijt. Dat is de relatief kleine groep Joodse burgers die de Holocaust heeft overleefd. Dat zijn er niet meer dan ± 30.000. Ruim 80% van onze Joodse bevolking is in de oorlog door de Duitsers vermoord.
    De tweede groep wordt gevormd door U, de Nederlandse oud-Indisch mensen. U hebt een belangrijk deel van Uw leven in ons voormalig Nederlands Oost Indië doorgebracht. Door vele progressieve media is U al bijna 60 jaar verweten meegewerkt te hebben aan een koloniaal systeem dat, in het licht van het hedendaagse denken, verwerpelijk zou zijn.
    Maar daarbij wordt vergeten dat de meesten van U het vroegere Indië liefhadden als hun tweede vaderland. Datgene wat Nederland daar in dat verre tropische eilandenrijk in 300 jaar tot stand heeft gebracht, mag nog steeds met ere vermeld worden. Nederland heeft in dat reusachtige land, dat meer dan 1/8 van de aardomtrek beslaat, de basis gelegd voor wat thans de republiek Indonesië is.

    Het is verbazingwekkend dat wij destijds dat grote gebied dat toen al ± 70 miljoen inwoners telde, bestuurden en tot ontwikkeling brachten met een betrekkelijk kleine groep in Indië werkende Nederlanders. Een groep die zelden groter was dan 300.000! Scholen werden opgericht, onderwijs werd gestimuleerd en ziekenhuizen werden gebouwd. Een uitstekend rechtssysteem werd geïntroduceerd, waarbij zeer goed rekening werd gehouden met specifiek Indische tradities, de zogenaamde 'Adat'.
    In Nederland waren aan de universiteiten leerstoelen voor onder meer Indisch recht, tropengeneeskunde, tropische landbouw en Indologie. Wetenschappers en artsen wisten in die enorme archipel ziekten als pokken, cholera, pest, tyfus, beri-beri, dysenterie, malaria en lepra te bestrijden. Ze redden daarmee miljoenen mensen het leven. Zelfs nu nog, bijna 60 jaar nadat Nederland Indonesië voorgoed heeft verlaten, berust de Indonesische wetgeving nog voor een groot deel op het werk van Nederlandse juristen. En vooraanstaande Indonesiërs zenden nog steeds hun kinderen voor een hogere opleiding naar Nederlandse universiteiten.

    Natuurlijk is in het licht van de hedendaagse opvattingen een koloniaal systeem niet meer te rechtvaardigen. Maar dat is iets wat men de Nederlanders die in Indië hebben gewerkt, nooit mag verwijten. Nog geen honderd jaar geleden had men daar immers geheel andere ideeën over. Evenwel hebben de naoorlogse links-progressieve opvattingen er toe geleid dat het begrip 'Nederlands-Indië' met een taboe beladen is. En dat is een van de oorzaken dat de Nederlands-Indische gemeenschap voortdurend wordt gefrustreerd. De ontvangst in Nederland bij Uw repatriëring na de oorlog was uiterst koel, bij het vijandige af. Voor talloze totaal berooide oud-Indië-gangers was er nauwelijks een menswaardige opvang. Na een jarenlang verblijf in Japanse kampen of na gruwelijke dwangarbeid in het hele Verre Oosten was er voor U geen geld, geen uitbetaling van achterstallig salaris, nauwelijks kleding, amper huisvesting en geen schadevergoeding van enige betekenis.

    Daarbij komt nog dat velen van U destijds niet alleen door de Japanners zijn geterroriseerd, maar na de bevrijding op 15 augustus 1945 ook nog eens door de zogenaamde 'vrijheidsstrijders', de pemoeda's van Soekarno. Dat was de beruchte bersiap-periode. De frustratie bleef. Omdat U als Indische gemeenschap een andere cultuur met U meedraagt. Verworvenheden zoals discipline, goede manieren, hoffelijkheid, beleefdheid, tradities, loyaliteit, respect voor en trouw aan het koningshuis vindt men duidelijk meer bij U dan bij Nederlanders die geen Indisch verleden hebben. Dit alles heeft geleid tot een gevoel niet altijd geaccepteerd te worden. Of in het ergste geval tot pure discriminatie. In ons sterk gedevalueerde onderwijs wordt niets meer verteld over 300 jaar Nederlands-Indische historie. Zelfs het woord 'Vaderlandse Geschiedenis' is in de ban gedaan. Dat was, volgens onze roze-rode onderwijsdeskundigen té nationalistisch, té autoritair en dus verwerpelijk.

    Uiterst frustrerend was ook dat de Indische gemeenschap meer dan 55 jaar heeft moeten wachten tot onze overheid toestemming gaf de 14e en 15e augustus tot officiële herdenkingsdagen te verklaren. Ditzelfde links politieke beleid is er mede de oorzaak van dat de oud-KNIL militairen nooit hun achterstallige wedde uit de jaren dat ze krijgsgevangen waren, uitbetaald hebben gekregen. En ook dat één van de grootste oorlogshelden, de KNIL-officier Jack Boer nooit in aanmerking is gekomen voor een passende militaire Willemsorde. In november 1945 bevrijdde hij uit de Werfstraatgevangenis te Soerabaja niet minder dan 2384 Nederlandse burgers die daar door Soekarno's pemoeda's waren opgesloten om massaal te worden vermoord. Jack Boer veroverde de zwaar bewaakte gevangenis met behulp van slechts 10 Brits-Indische Gurka's en één oude Stuarttank. Hij redde daarmee bijna tweeëneenhalf duizend Nederlandse burgers het leven. Jack Boer overleed in 1993, maar zijn weduwe leeft nog. Maar tot op heden kan er zelfs geen postuum eerbewijs voor hem af.

    Zo komt het dat velen van U niet meer in staat zijn hun ervaringen over te dragen aan hun kinderen en kleinkinderen. Die weten vaak nauwelijks waar het over gaat. Ze willen ook dikwijls niets horen. Ze vinden het gezeur over vroeger. Want Uw verhalen gaan over een tijd en een land die ze zich niet kunnen voorstellen, wegens een ernstig gebrek aan historisch inzicht. In mijn archief bevinden zich hartverscheurende brieven van oud-Indisch mensen die alleen al dààrdoor een gestoorde relatie hebben met hun nageslacht. Het gevolg is vaak dat die mensen hun verleden angstvallig gaan afsluiten en er nooit meer over willen praten. Datzelfde fenomeen ziet men bij Joodse mensen die de Holocaust hebben overleefd. Ze vinden hun ervaringen te vreselijk om te vertellen of ze zijn bang om toch niet geloofd te worden.

    Bovendien heerst hier in Nederland volkomen ten onrechte de gedachte dat men het verleden nu maar moet laten rusten. Dat men niet kan leven met wat voorbij is. Dat men alleen het oog gericht moet houden op de toekomst en de rest moet vergeten. Dat is het domste wat men kan doen. Want wij zijn allen producten van de historie. Men kan geen zinvolle toekomst opbouwen zonder weet te hebben van het verleden en daar lessen uit te trekken. Daarom is het doelbewust veronachtzamen, zoals dat al bijna 30 jaar gebeurt, van het vak geschiedenis op scholen, een misdaad ten opzichte van onze jongere generaties.
    Alleen door te weten wat er gebeurd is, kan men leren kritisch te denken. Bijvoorbeeld over het sociologische raadsel dat hoogontwikkelde cultuurvolken zoals de Duitsers en de Japanners in de oorlog tot zulk laag moreel niveau konden afdalen. Alleen als men hierover nadenkt, is het mogelijk om levensgevaarlijke politieke psychopaten in een vroeg stadium te ontmaskeren en daardoor grootschalige calamiteiten te voorkomen. Het door de staat moedwillig onderdrukken van die kennis doet vermoeden dat de overheid aanstuurt op een jong electoraat dat van toeten noch blazen weet. Dom gehouden mensen zijn immers ideaal voor ambitieuze politici met gevaarlijke ideeën.

    Daarom wil ik U op het hart drukken Uw ervaringen niet te verzwijgen. Vertel ze. Publiceer ze of schrijf ze gewoon op voor Uzelf, opdat ze niet verloren gaan. U mag gerust trots zijn op wat U heeft gedaan en wat U heeft overleefd. U bent een onmisbare hoeksteen in het gebouw van onze vaderlandse geschiedenis. Zoals alle overlevenden van zowel de Japanse als de Duitse terreur. Pas als wij die ervaringen verwerkt hebben en in ons zelfbewustzijn hebben gesublimeerd, kan er sprake zijn van wederzijdse benadering, begrip en misschien zelfs van een voorzichtige vorm van vergeving van onze vroegere vijanden. Het is het pijnlijke proces van het volwassen worden van volken en naties.

    Straks gaan we naar het Indisch monument. Daar zullen wij in eerbied denken aan degenen die niet de vreugde van de bevrijding op 15 augustus 1945 mochten beleven. Maar tevens moet U zich met trots realiseren dat U een onuitwisbaar deel van de Nederlandse historie bent. Een historie die weliswaar doordrenkt is van ellende en verdriet. Maar die het waard is om duizend maal opnieuw verteld te worden.

    Bron:
    www.sh15aug1945.nl


    Een donkere bladzijde uit de geschiedenis van 400 jaar betrekkingen Nederland-Japan
    (Japanese emperor in The Netherlands)

    Ervaringen van oorlogsgetroffenen tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indie 1942-1945

    Japanese version
    1 2 3 4
    A dark page in the 400 year history of relations between the Netherlands and Japan

    Inleiding

    Op 8 december 1941 vielen de Japanners onverwacht de Amerikaanse basis Pearl Harbor aan. Amerika en Nederland verklaarden Japan de oorlog. In maart 1942 landden de Japanners op Java en na drie maanden strijd moest Nederlands-Indie zich overgeven.
    Van de circa 350.000 Nederlanders werden eerst de mannen door de Japanners geïnterneerd in kampen en later hun vrouwen en kinderen. Het optreden van de Japanse bewakers kenmerkte zich vaak door wreed en gewelddadig gedrag. Vooral in het laatste jaar van de bezetting leden in de overvolle en onhygiënische kampen de geïnterneerden aan chronische ondervoeding, hongeroedeem, dysentrie en malaria. Vele duizenden zijn tengevolge hiervan gestorven.
    Hoewel het merendeel van de Indo-Europese mannen als krijgsgevangene geïnterneerd werd, konden vele Indo-Europese vrouwen en kinderen buiten het kamp blijven. Doordat het inkomen wegviel, raakten vele van deze gezinnen in moeilijkheden. Dwangarbeid, gedwongen prostitutie, martelingen, chronische ondervoeding en ziekten eisten hun tol. De Indonesiërs gedroegen zich in toenemende mate vijandig, wat uitliep op de zogenaamde Bersiap-periode (vrijheidsstrijd), die kwam na het beëindigen van de Japanse bezetting.
    Nadat Indonesië zelfstandig werd, vertrokken circa 300.000 Nederlanders, vaak min of meer noodgedwongen naar Nederland, een land dat zich moest herstellen van de oorlog met Duitsland. Zij lieten meer dan 42.000 doden achter.

    Een onderzoek

    Bij de Nederlanders die slachtoffer werden van de Japanse oorlog, blijkt het bezoek van de Japanse keizer aan Nederland zelfs na 55 jaar nog heftige emoties op te roepen. De Vereniging van Kinderen uit de Japanse Bezetting en de Bersiap 1941-1949 (KJBB) heeft met medewerking van de Provincie Noord-Holland aan dr. F.A. Begemann gevraagd een onderzoek te verrichten onder degenen die als kind in het voormalig Nederlands-Indie de oorlog hebben meegemaakt.
    Dertien leden van deze vereniging werden langdurig geïnterviewd. Een verslag van deze interviews werd op een vergadering van de KJBB op 25 maart 2000 aan 80 leden van deze vereniging voorgelegd. Door de aanwezigen werd het verslag uitgebreid besproken en van commentaar voorzien. Dit commentaar is verwerkt in het eindverslag, dat representatief kan worden geacht voor de meningen binnen de KJBB.
    Bij de interviews werd niet alleen gevraagd naar de standpunten over de komst van de keizer, maar ook naar de persoonlijke achtergronden. In dit verband werd ook uitvoerig over de oorlogservaringen gesproken.



    Wat hebben de kinderen van toen meegemaakt?

    AIle kinderen, of ze nu geïnterneerd waren of buiten het kamp konden blijven, hebben in de jaren van de Japanse bezetting honger gehad. Dat heeft bij velen niet alleen geleid tot lichamelijke ziekten, maar ook tot een aantasting van de psychische draagkracht. Dat verklaart voor een deel waarom zoveel van deze kinderen ook tientallen jaren later nog last hebben van hun traumatische ervaringen tijdens de Japanse bezetting.
    Behalve honger hebben de kinderen van toen ook veelvuldig geweld ondergaan. In de kampen en buiten de kampen werden ook kinderen geslagen en mishandeld. Vaak moesten kinderen toezien hoe anderen, bijvoorbeeld hun ouders, werden mishandeld.
    De meeste kinderen zijn tijdens de Japanse bezetting van een of beide ouders gescheiden. Bijna alle vaders werden geïnterneerd, ook van de Indo-Europese kinderen. Vaak viel ook de moeder weg - tijdelijk, door ziekte of ondervoeding; of voorgoed, als ze aan de gevolgen van de oorlog overleed. De scheiding van de ouders blijkt de ontwikkeling van de kinderen van toen vaak ernstig te hebben geschaad.
    Door de Japanse bezetting werden de kinderen losgerukt uit hun normale leven. Niet alleen werden ze van een of beide ouders gescheiden, maar daarnaast raakten ze meestal hun ouderlijk huis en ook de school en hun schoolvriendjes kwijt. Kinderen die geïnterneerd werden, moesten zich aanpassen aan geheel nieuwe leefomstandigheden. Ook buiten de kampen veranderde het leven ingrijpend, al was het alleen maar omdat voor de meeste gezinnen de geregelde inkomsten wegvielen.
    Zowel binnen als buiten het kamp moesten de kinderen overlevingsgedrag aanleren, bijvoorbeeld handel drijven of voedsel stelen. Onder oorlogsomstandigheden wordt er van kinderen vaak een aanpassing gevraagd, waartoe ze qua ontwikkeling nog lang niet in staat zijn. Dat heeft geleid tot zowel psychische als lichamelijke schade. Bij veel van deze kinderen zie je in hun latere leven blijvende klachten, zoals regelmatig terugkerende slapeloosheid, nachtmerries en angsten. Velen hebben als gevolg hiervan voortijdig hun beroep moeten opgeven.
    Na de capitulatie van Japan vond de gezinshereniging plaats, die vaak moeilijk is verlopen. De uit de internering terugkerende vaders konden met hun vrouwen, die zelf veel hadden meegemaakt, dikwijls niet over hun ervaringen praten. De kinderen merkten, dat hun ouders waren veranderd en dat de sfeer in huis was aangetast. Vaak bleken hun ouders niet in staat hun kinderen met het verwerken van hun oorlogservaringen te helpen.
    Na de Japanse capitulatie in augustus 1945 brak in het voormalige Nederlands-Indie de onafhankelijkheidsstrijd uit. Dit conflict eiste niet alleen veel slachtoffers, maar bracht ook een grote stroom vluchtelingen op gang. Aangezien Nederland tijdens de oorlog in Europa ernstig had geleden, verliep de opvang van de slachtoffers uit Indië moeizaam. Zij vonden nauwelijks gehoor voor hun ervaringen en problemen. Daardoor is deze groep in een maatschappelijk isolement beland, wat de klachten nog heeft verergerd.

    Wat denken de leden van de KJBB over de komst van de Japanse keizer?

    Hoewel er over de komst van de keizer ook binnen de KJBB verschillend wordt gedacht, is er op een punt consensus:

    Het is belangrijk dat keizer Akihito bij zijn bezoek aan Nederland aan de slachtoffers excuses aanbiedt voor wat hen tijdens de oorlog door Japan is aangedaan. De excuses worden van de keizer persoonlijk verlangd, omdat in naam van zijn vader Hirohito de gewelddadigheden zijn begaan.

    Waarom is dit voor de leden van de KJBB zo’n belangrijk punt? De argumenten blijken samen te hangen met het oorlogsverleden:
    1. Het vragen van excuses komt niet voort uit haatgevoelens, maar uit een behoefte aan rechtvaardigheid
      Waarom de slachtoffers excuses vragen, kan het beste worden toegelicht via een analogie. Een samenleving kan alleen bestaan op basis van een rechtsorde, die de maatschappelijke regels fundeert. Wie een misdrijf begaat, ontkent de rechtsorde en plaatst zich daarmee buiten de samenleving. Hij kan pas weer in de samenleving worden opgenomen, als hij erkent dat hij een misstap heeft begaan. Want door het aanbieden van excuses, wordt de rechtsorde opnieuw bevestigd.
      Mutatis mutandis geldt dit ook voor de keizer van Japan. Eigenlijk kunnen de slachtoffers van Japan de keizer alleen ontvangen, als hij toegeeft dat er in het verleden door Japan misstappen zijn begaan en als hij hiervoor zijn excuses aanbiedt.
      Er is nog een tweede reden waarom dit voor de slachtoffers van belang is. Het merendeel van hen heeft door de klachten hun werk voortijdig moeten onderbreken. Vaak heeft dat bij hen geleid tot schuld- en schaamtegevoelens. Want mensen die zich niet langer aan sociale verwachtingen kunnen conformeren, krijgen meestal last van schuldgevoelens, ook als zij zelf hiervoor geen verantwoordelijkheid dragen. Daarom is het belangrijk, dat expliciet wordt vastgesteld dat de klachten van de slachtoffers niet aan henzelf zijn te wijten, maar aan de agressie van Japan.
    2. De oorlog is nog geen verleden geworden
      De oorlog in Zuidoost Azië ligt meer dan vijftig jaar achter ons. Waarom is voor de slachtoffers dit verleden nog niet voorbij?
      Allereerst omdat zij nog steeds last hebben van hun traumatische herinneringen en de door de oorlog veroorzaakte klachten. Denk bijvoorbeeld aan een vrouw die niet kan slapen door rugklachten die ze aan het kamp heeft overgehouden: in haar leven is de oorlog nog heel concreet aanwezig.
      Het verleden blijft leven ook omdat veel slachtoffers Japan nog steeds ervaren als een vijandige en bedreigende natie. Door excuses aan te bieden, zou de keizer tot het verleden afstand nemen. Daarmee zou hij het ook voor de slachtoffers van Japan makkelijker maken om het verleden af te sluiten.
    3. Zingeving van het slachtofferschap
      In de levens van de slachtoffers van de oorlog met Japan is door het oorlogsgeweld van alles misgegaan. Hoe kan iemand met het verdriet hierover verder leven?
      Voor veel slachtoffers blijkt het belangrijk, om zin te kunnen geven aan hun slachtofferschap. Velen nemen daarbij een voorbeeld aan de joden, die niet alleen hun doden herdenken, maar ook waarschuwen tegen nieuwe vormen van fascisme. Vanuit een vergelijkbaar motief proberen veel slachtoffers van de oorlog in Zuidoost Azië de krachten binnen de Japanse samenleving te ondersteunen, die nieuwe Japanse agressie trachten te voorkomen.
      Vanuit dit perspectief is het essentieel, dat Japan erkent dat er in het verleden dingen zijn gebeurd die niet door de beugel kunnen. Excuses van de Japanse keizer betekenen, dat Japan van het verleden afstand neemt.
      Daarmee worden de pogingen van de slachtoffers om zin te geven aan hun oorlogservaringen ondersteund.
    4. Aandacht juist voor kinderen in de oorlog
      Nog steeds worden op veel plaatsen in de wereld gewapende conflicten uitgevochten. Daarbij worden ook veel kinderen slachtoffer. Dit is tragisch, want juist kinderen verdienen het om door volwassenen tegen geweld te worden beschermd.
      Daarom zou het een goede zaak zijn, als de keizer bij het aanbieden van excuses de kinderen van toen expliciet noemt. Het zou allereerst een erkenning betekenen van hen die de oorlog van toen als kind hebben meegemaakt. Maar daarnaast zou er aandacht gevraagd worden voor het lot van kinderen, die ook nu nog slachtoffer worden van oorlogsgeweld.
    Dit is een samenvatting van de publicatie:
    ‘Vanuit een behoefte aan rechtvaardigheid – Reacties binnen de KJBB op het voorgenomen bezoek van de keizer van Japan aan Nederland’
    NPI en KJBB, april 2000.



    Verder lezen:

    Het Jaar 2602 (Kinderverhalen uit het Jappenkamp)
    Japanse burgerkampen