Is het kader met afbeeldingen rond dit frame NIET zichtbaar: klik hier

Reageer op deze site!
Nederlands-Indië in WO II

                                          

Zie ook Verhalen:
Han Bawits en WO II
Ronald Scholte over Nagasaki
  • Java:
    Kampaantekeningen prof.dr. I.J. Brugmans
    Herinneringen van Broeder Angelus
  • Molukken:
    Belevenissen in de oorlog van Max Tauran
    Getuige Jacob Litamahuputty

    Zie ook de Antillen voor de Japanse aanval in 1941-1942 (Jan Willem van den Belt en Jan Frederik Haayen)


  • Mannen van tien jaar en ouder

    De heiho ranselde met welgemikte slagen
    Tienjarige jongens achter een legerwagen.
    Per onbegrijpelijk decreet waren zij
    Verklaard tot man - en mannen
    Horen niet meer bij hun moeder.
    Hij stond in de rij met in de ene hand zijn teddybeer
    Vastgeklemd om de enige nog aanwezige poot
    In de andere hand een tasje met daarin
    Het laatste restje suiker en wat malariapillen.
    Zijn moeder had dat er op het laatst ingestopt
    Hij dwong zijn tranen terug
    Hij was nu toch man.
    Zijn moeder bad en had de intense hoop
    Hem ooit weer terug te zien.
    Ze had bij zijn geboorte
    Zo'n mooie naam voor hem bedacht.
    Zij, zij stierf aan ondervoeding en malaria
    Ontbeerde pillen die zijn leven redden.
    Hij kwam terecht in een Hollands contractpension
    Koud, nat, onbehaaglijk en ook niet zo aardig
    De hongerwinter was belangrijker in het gesprek
    Dan zijn verhaal van zijn – wreed - vertrek.
    Over goed en kwaad dacht hij steeds afwijkend
    Zijn relaties liepen allen stuk
    Drank en drugs hielpen soms, even de werkelijkheid ontwijkend.
    Zijn loopbaan mislukte keer op keer
    Het enige wat hij miste was zijn oude, éénarmige, zachte teddybeer.

    Uit: 'Flarden, herinneringen van een kampjongen', door Govert Huyser (2005). Publicatie die mogelijk is gemaakt door de geldelijke steun van de Stichting Militaire Oorlogsslachtoffers en Aanverwante doeleinden.

    Generaal b.d. G.L.J. Huyser (Surabaya 1931) verbleef gedurende de oorlog in de Japanse interneringskampen 'Darmo' te Surabaya, 'Karangpanas' in Semarang en in het jongenskamp 'Bangkong' in Semarang.



    Onderscheidenen Nederlands-Indië

    Burgers en militairen uit de verschillende bevolkingsgroepen in Nederlands-Indië die een onderscheiding vanwege hun gedrag in de oorlog kregen (alleen letter A)

    Voor een uitgebreide beschrijving en de personen onder de letters B t/m Z zie
    www.onderscheidingen.nl

    Aalbertsberg, Gerard. Geboren te Malang op 17 februari 1908. Overleden te 's-Gravenhage op 6 april 1978. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945, Verzetsherdenkingskruis. Journalist
    Abdoel Sakoer. Bronzen Kruis. Inheems bediende, aan boord van torpedobootjager Hr.Ms. 'Piet Hein'
    Abdullatif-Nji Raden [adellijke titel] Enong Tjitjik, mevrouw. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Particuliere te Bandoeng
    Adjoen (alias Pang Linggan). Bronzen Leeuw. Inheems burger, betrokken bij het ondergronds verzet in Nederlands-Indië
    Adriani, Paulus Lambertus Grimmius. Geboren te Makasser op 17 januari 1914. Omgekomen aan boord van Hr.Ms. Vliegboot 'X29' nabij Soerabaia op 11 februari 1942. Vliegerkruis. Officier-vlieger der 2e klasse der Marine Luchtvaartdienst, aan boord van Hr.Ms. Vliegboot 'X29'
    Agerbeek, Jacques Rola. Geboren te Batavia op 21 maart 1880. Overleden te Koepang op 17 augustus 1942. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Kapitein der Infanterie-titulair buiten dienst van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, gezaghebber van de Bescherming Bevolking
    Akoeilia Torey. Bronzen Kruis. Inheems burger, lid van het verzet in Nederlands-Indië
    Akolo. Bronzen Kruis. Ambonees sergeant 2e klasse van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger
    Alan. Bronzen Kruis. Inheems kamponghoofd, lid van het verzet in Nederlands-Indië
    Aliet, Hendrik. Geboren te Paleleh, Makassar, op 20 augustus 1912. Overleden te Monrovia, Los Angeles in maart 1983. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Soldaat bij de Kustartillerie van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger
    Alstede, Paulus Simon. Geboren te Buitenzorg (Bogor, Java) op 20 juni 1906. Gesneuveld aan boord van Hr.Ms. Kruiser 'Java' in de Javazee op 27 februari 1942. (zie ook Jan Frederik Haayen bij Antillen). Bronzen Kruis, Oorlogsherinneringskruis, Officierskruis XV. Luitenant-ter-zee 1e klasse, navigatie-officier aan boord van Hr.Ms. Kruiser 'Java'
    Altman-de Moet, mevrouw Lena Cornelia (“Corrie”). Geboren te Malang op 1 september 1911. Overleden te Benidorm op 24 april 1996.Trouwde op 11 juni 1929 te Amsterdam met Friedrich Heinrich Altman. Echtscheiding te Djakarta op 20 mei 1952. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Particuliere te Soerabaja
    Amag Darminah. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Dorpshoofd van de dessa Pengantap, district Geroeng, West-Lombok
    Amag Lebih. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Dorpshoofd van de dessa Bengkok, district Geroeng, West-Lombok
    Amag Redam. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Dorpsoppasser van de dessa Pengantap, district Geroeng, West-Lombok
    Amag Sibah. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Dorpshoofd van de dessa Blangas, district Geroeng, West-Lombok
    Amahorseja, M.B.. Bronzen Kruis. Sergeant-telegrafist der Koninklijke Marine
    Amak. Kruis van Verdienste. Bediende, aan boord van het m.s. 'Madoera'
    Amat. Bronzen Kruis. Inheems burger, lid van het verzet in Nederlands-Indië
    Ament, Cornelus Carolus. Geboren te Paroendjaia, Java, op 29 maart 1896. Geëxecuteerd te Batavia-Antjol op 23 september 1943. Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Employé van het Algemeen Landbouw Syndicaat
    Aroen. Bronzen Kruis. Inheems inlandse jongen, bij de Onderzeebootdienst der Koninklijke Marine
    Asbeck, Thomas Karel baron van. Geboren te Kedongdjati (Java) op 14 oktober 1899. Overleden te 's-Gravenhage op 23 oktober 1966. Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, Officier in de Orde van Oranje Nassau en vele andere onderscheidingen. Officier in de Orde van Oranje-Nassau wegens: “als commandant van Ons Escortevaartuig ‘JAN VAN BRAKEL’ en vòòrdien van Onzen Mijnenlegger ‘VAN MEERLANT’ gedurende ruim drie jaren onder moeilijke en vaak gevaarvolle omstandigheden op bekwame en beleidvolle wijze het bevel gevoerd. Kapitein-luitenant-ter-zee, commandant van Hr.Ms. Escortevaartuig 'Jan van Brakel'
    Asjes, ir. Dirk Lucas. Geboren te Soerabaja op 21 juni 1911. Overleden te 's-Gravenhage in februari 1997. Militaire Willemsorde, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, Vliegerkruis en vele andere onderscheidingen. Militaire Willemsorde wegens: “het zich in de strijd onderscheiden hebben door uitstekende daden van moed, beleid en trouw door in het tijdvak van 27 Februari 1944 tot en met 22 September 1944 op voorbeeldige wijze persoonlijk deel te nemen aan een groot aantal operationele vluchten van het Nederlands-Indische 18e Squadron bommenwerpers uit Australië naar door de vijand bezet gebied in de Zuid-Molukken, op Timor en Flores en op eilanden in de Banda Zee en de Arafoera Zee, zomede op Nieuw-Guinea...”
    Ayal-Nahuwae, Costavina ("Coosje"). Geboren op 15 april 1926. Kruis van Verdienste, Verzetsherdenkingskruis, Ereteken voor Orde en Vrede, Mobilisatie-Oorlogskruis, Draaginsigne Gewonden. Burger. Kruis van Verdienste wegens: "moedig en zeer verdienstelijk optreden getoond gedurende vele maanden van guerrillastrijd tegen de Japanners in het Vogelkop-gebied van Nieuw-Guinea, en daarbij alle gevaren en ontberingen van de guerrilla-strijders gedeeld."

    Bron: www.onderscheidingen.nl


    Mauretz Christiaan Kokkelink


    Geboren te Willem I (Nederlandsch-Indië) op 17 juni 1913. Overleden te Frans-Guyana in augustus 1994. Tijdelijk fuselier bij het KNIL (26-03-1931), militie soldaat KNIL (09-12-1941), militie sergeant KNIL (01-01-1944), tijdelijk mil-aaoi KNIL (09-08-1945), e.o. 20-07-1950 KB K.310. Auteur van het boek 'Wij vochten in het bos - de guerillastrijd op Nieuw-Guinea tijdens de Tweede Wereldoorlog'. Ridder 4e klasse der Militaire Willems-Orde; K.B. no. 17 van 12 april 1945. Militie-sergeant van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger.



    De Willemsorde is hem toegekend met de volgende motivatie:
    "Aanvankelijk als ondercommandant, later als commandant van een detachement van in den beginne 58 man sterk, na de bezetting van Manokwari op Nieuw Guinea door de Japanners in Maart 1942 zeer grooten moed, beleidvol optreden, doorzettingsvermogen en bekwaamheid getoond. Bij de Japansche bezetting het binnenland ingetrokken zijnde, den vijand, ondanks onbeschrijfelijke moeilijkheden en ontberingen, gedurende 2, 5 jaar den grootst mogelijken afbreuk gedaan, zoodat de Japansche autoriteiten zelfs f 10.000 en een groote hoeveelheid rijst en zout op zijn hoofd stelden en een macht van 1100 Japansche soldaten uitzonden om zijn guerilla-bende te vernietigen. Nog zwak en ziek zijnde, na zich te hebben terug gemeld bij de Nederlandsche autoriteiten, zich onmiddellijk wederom aangeboden voor zeer riskante opdrachten."

    N.B.: M.Ch. Kokkelink is afzonderlijk vermeld vanwege zijn hoge onderscheiding.
    Bron: www.onderscheidingen.nl


    Nederlands Indië onder Japanse bezetting


    Kaart: stuwww.uvt.nl

    De capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 maakte een einde aan wat de Tweede Wereldoorlog wordt genoemd. Deze capitulatie werd in Nederland pas in 1970 officieel herdacht, eenmalig. De aandacht was tot dan toe sterk op de gebeurtenissen in het eigen land gericht geweest. Er was alleen in 1950 een urn met Indische aarde bijgezet in het monument op de Dam. Vanaf 1980 wordt de 15-augustus herdenking elk jaar gehouden en sinds 1988 is er een eigen monument voor de Nederlandse slachtoffers van de wereldoorlog in Azië, het Indische monument in Den Haag. Het geld ervoor werd door de slachtoffers zelf bijeengebracht. Ook op andere plaatsen, zoals Arnhem-Bronbeek, Roermond, Amstelveen en Den helder kwamen monumenten en/of herdenkingen. Tenslotte werd in 1999 de datum van 15 augustus als een historische dag erkend: het einde van de Tweede Wereldoorlog. Het laatst gestichte monument (Bronbeek, 17 augustus 2004) herdenkt de duizenden slachtoffers van de Japanse gevangenentransporten over zee.

    Bezetting
    De Japanse capitulatie maakte ook een einde aan de Japanse bezetting van het toenmalige Nederlands-Indië. Na de aanval van Japan op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor (Hawaï) en de daarop volgende Amerikaanse oorlogsverklaring (8 december 1941) breidde de Japanse oorlogsvoering zich van China uit naar de Aziatische gebieden van Engelsen, Amerikanen, Nederlanders en hun bondgenoten. Delen van het Indonesische eilandenrijk werden al in januari en februari 1942 aangevallen. Op 27 februari vond de slag in de Javazee plaats: onder leiding van de Nederlandse admiraal Karel Doorman streden de geallieerden een wanhopige strijd tegen de veel beter uitgeruste en voorbereide Japanners (zie ook Suriname, KNIL). Op 1 maart 1942 begon de verovering van Java, op 8 maart capituleerde het koloniaal gezag.

    De bezetting van Nederlands Indië (door ongeveer 300.000 Japanse en Koreaanse militairen en ambtenaren) werd door een deel van de inheemse bevolking toegejuicht. Het nationalistische deel van de elite werkte samen met Japan: het zou onafhankelijkheid van het Nederlandse juk brengen. Inderdaad werd de basis voor een onafhankelijk land en leger (‘Peta’) gelegd. Anderen wantrouwden de motieven en de methodes van de Japanse bezetting en waren minder enthousiast. Vooral Molukkers, Manadonezen (Sulawesi) en Timorezen pleegden actief verzet (zie verhaal Litamahaputty).


    Een talisman die door familie, vrienden en kennissen aan een Japanse soldaat werd meegegeven. Het staat vol met de namen, al dan niet voorzien van wensen en aanmoedigingen, van deze mensen. De grote tekst aan de rechterkant van de vlag luidt: "Ter ere van de heer Tirasaki Hiroharu" en daarnaast "Houdt moed". Hem toegewenst door Narita Kinjuro, die wellicht de initiatiefnemer was. De kans is zeer groot dat Tirasaki Hiroharu een kampbewaker is geweest omdat de vlag door een ex-gevangene is meegenomen naar Nederland - www.museumverbindingsdienst.nl/leven3.html

    Onderdrukking
    Het grootste deel van de 70 miljoen inwoners, ‘het volk’, ‘rakyat’, was ongeletterd, onderging de bezetting en leed er in toenemende mate onder. Bijna alle mannen werden op een of andere manier te werk gesteld, vaak als ‘dwangarbeider’, ‘romusha’, of als hulpsoldaat, ‘heiho’. Honderdduizenden werden daarbij naar andere delen van de Archipel, naar Nieuw Guinea, Birma, Siam, de Filippijnen of Japan gedeporteerd. Veel vrouwen werden gedwongen als prostitué, ‘troostmeisje’ (‘yugun ianfu’) dienst te doen voor de Japanse militairen. Boeren moesten verplicht rijst leveren. De militaire politie, ‘kempetai’, voerde her en der een schrikbewind. De economische situatie werd toenemend slechter. Vanaf 1945 ontstond nijpend gebrek aan voedsel en textiel.

    Internering



    De 300.000 Nederlanders en andere Europeanen in de kolonie, blanken (‘totoks’) en kleurlingen (‘Indo’s’), zagen de Japanse overheersing in meerderheid als vergelijkbaar met wat de Duitsers in Nederland hadden gedaan. Enkelingen zagen echter dat het koloniale bewind op zijn einde liep of sympathiseerden met het Indonesische streven naar onafhankelijkheid.

    Zoals Duitsers in Suriname en de Nederlandse Antillen – vaak anti-nazi’s en joodse vluchtelingen – vanaf mei 1940 in interneringscentra werden opgesloten (zie daar), en zoals Japanse burgers in de Verenigde Staten vanaf 9 december 1941 werden geïnterneerd, zo verging het ook een deel van de hoogopgeleide Europese bovenlaag in de westerse kolonies van Azië. Hun lot was echter beduidend slechter. Ongeveer 16.800 van de 100.000 geïnterneerden haalden het eind van de Japanse bezetting niet, ofwel een zesde van de kampbevolking (zie ook artikel Liesker en Slors).

    In vergelijking met de bezette Engelse en Franse koloniën werd in Nederlands-Indië het grootste aantal burgers geïnterneerd: ongeveer 100.000. Van hen waren 35.000 jonger dan zeventien. Er waren aparte vrouwenkampen, waar ook de jongere kinderen bleven; daarnaast waren er jongenskampen.

    Subkampen voor religieuzen

    Minder bekend is misschien dat er ook subkampen met religieuzen waren, zoals bijvoorbeeld in het kamp Blitar op Oost-Java en in het kamp Kuching in het Maleisische deel (Serawak) van Borneo. Hieronder volgt informatie die verband houdt met kamp Kuching.

    De aanval van de Japanners op Java begint op 1 maart 1942. Andere eilanden, zoals Borneo, worden al veel eerder aangevallen, sommige regio's vlak na het bombardement van 8 december 1941 op Pearl Harbour.

    Uit het in steno geschreven dagboek van broeder Bernulfus Bosman van de Broeders van Huijbergen:
    “19 december 1941. De oorlog begint hier (Pontianak (Kalimantan, Z.-Borneo)) verwoestend. Terwijl we over de galerij van de school lopen, horen we vliegtuigen. Er is geen luchtalarm. Een bombardement op de Chinese wijken volgt. De Hollands-Chinese school krijgt een voltreffer: de lagere klassen liggen in puin (de kinderen waren al naar huis gestuurd) en onder de oudere leerlingen zijn 15 doden te betreuren. In de stad zijn honderden slachtoffers en grote branden. Alle broeders werken dag en nacht om hulp te bieden. Pontianak wordt een dode stad. Op 27 januari 1943 bezetten de Japanners Singkawang (ongeveer 100 km ten noorden van Pontianak). Twee dagen later is Pontianak aan de beurt. De broeders krijgen huisarrest en prikkeldraad vlak langs het huis. We kunnen niet eens in de tuin komen. Steeds staat er een man of vijf op wacht. Het broederhuis in Pontianak wordt steeds voller, omdat alle gevangengenomen ambtenaren in het binnenland hier worden afgeleverd. Na een paar maanden zijn er meer dan 100 bewoners in een broederhuis dat vroeger al te klein was voor 15 man.”

    Kuching (toenmalig Engels Borneo, Serawak)


    Kamp Kuching (tekening: Broeders van Huijbergen)

    In juli 1943 worden de broeders uit Singkawang en Pontianak (Kalimantan) ondergebracht in een interneringskamp bij Kuching (ruim 200 km ten noordoosten van Singkawang). Het kamp heeft bijna 3000 inwoners, waarvan de helft in de loop der jaren overlijdt. Het kamp bestaat uit 10 onderafdelingen waaronder een afdeling van zo’n 100 religieuzen (waaronder ook missionarissen). De zusters zijn, niet apart, in de vrouwenafdeling ondergebracht. De kampbewoners moeten hard werken: ze moeten het vliegveld uitbreiden en wegen aanleggen, terwijl ze steeds minder te eten krijgen. Vooral in 1945 sterven veel gevangenen aan uitputting, dysentrie en hongeroedeem.


    Kamp Kuching met zwaaiende mannen vlak voor de bevrijding (Broeders van Huijbergen)

    Op 25 maart 1945 komt een eerste teken van hoop: tijdens de mis komen hoog in de lucht twee blinkende Amerikaanse bommenwerpers overvliegen. Iedereen duikt de loopgraven in maar de bommenwerpers werpen pamfletten uit. Het kampleven in Kuching duurt echter nog bijna een half jaar. Op 11 september 1945 worden de overlevenden bevrijd. Daarna kunnen de overlevenden een paar maanden aansterken op het eiland Labuan voor de kust van Brunei. De broeders bivakkeren op het strand, 10 meter van de zee. Degenen die het meest hebben geleden, liggen in een veldhospitaal om aan te sterken.
    Al in december 1945 kan de Handelsschool in Pontianak weer starten (dankzij de hulp van veel oud-leerlingen) en in januari begint het lager onderwijs weer.

    Het
    verhaal van broeder Angelus van der Zanden over zijn oorlogservaringen in de gevangenis in Kediri, het mannenkamp Tjimahi en het kamp Blitar (Java) is elders op deze website opgenomen.

    1 dode, 1 beschadigde
    Uiteindelijk zal nog in 1946 broeder Claudius Sommen vanwege de geleden ontberingen in het kamp aan dysentrie overlijden. Broeder Ireneus van de Avoird heeft het de rest van zijn leven erg moeilijk gehad met de mensonterende behandeling die hij steeds kreeg omdat hij het altijd voor zijn medebroeders in het kamp opnam.

    Na 15 augustus 1945
    Na de bevrijding van de Japanse bezetting stevent het koloniale Nederlands-Indië op zijn ondergang af. De onafhankelijkheidsstrijd wordt vooral op Java uitgevochten. De Broeders van Huijbergen op zuidelijk Borneo merken er vrijwel niets van. Na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 krijgen ze te maken met nieuwe verhoudingen. De voertaal wordt Bahasa Indonesia en er komen andere schoolboeken. Tenslotte moeten ze in december 1951 kiezen of ze de Indonesische nationaliteit willen hebben. Degenen die Nederlands staatsburger blijven, zullen na 1960 formeel geen les meer mogen geven. De bisschop van Pontianak adviseert alle religieuzen om ‘zich aan te passen aan het volk’, maar laat iedereen vrij in zijn beslissing. Uiteindelijk neemt de helft van de Broeders van Huijbergen het Indonesisch staatsburgerschap aan.

    Noot: De congregatie van de Broeders van Huijbergen
    De congregatie van ‘De Broeders van Huijbergen’ is in 1854 in het Brabantse dorp Huijbergen gesticht. Vanaf 1888 kwam voor de Orde de nadruk op ‘goed onderwijs’ te liggen en er ontstonden binnen de kortste tijd broederscholen voor lager en voortgezet onderwijs. Al in 1892 zette men een eigen onderwijzersopleiding op.
    In 1921 vertrokken de eerste broeders naar Nederlands-Indië, waarbij het zwaartepunt van de missie opnieuw bij het onderwijs kwam te liggen. In Indonesië zijn er (2006) nog broeders in 8 plaatsen: Singkawang (Serawak), Pontianak (Serawak), Pati (Java), Yogyakarta (2 - Java), Kuala Dua (Kalimantan), Sekadau (Kalimantan) en Putussibau (Kalimantan) . Gesloten zijn: Bandjarmasin (Kalimantan), Blitar (Java) , Kudus (Java), Njarumkop (Serawak) en Sanggau (Kalimantan).

    Bronnen
  • Huijbergen en de uiteinden der aarde – De broeders van Huijbergen 1854-2004, Rob Wolf, eigen uitgave van de Broeders van Huijbergen 2004
  • De Broeders van Huijbergen een halve eeuw werkzaam in Indonesia – 1920-1970, eigen uitgave van de Broeders van Huijbergen 1970.
    M. Eijkhoudt

    Vervolg internering


    In het begin bestonden de kampen uit afgesloten stadswijken. Daarnaast bleven rond 160.000 burgers van Nederlandse of Europese komaf buiten de interneringskampen. Hun leven was evenmin vrij van honger, vernedering en onderdrukking. Ook Europese vrouwen werden gedwongen als ‘troostmeisje’ voor de Japanse en Koreaanse troepen dienst te doen. De mannen waren vaak wel, als krijgsgevangene, geïnterneerd.

    Duizenden mannen werden tewerkgesteld in Sumatra ('Pakan Baroe') en Birma/Siam (‘River Kwai’) voor de aanleg van spoorlijnen door het oerwoud. 3000 Nederlanders verloren bij de dwangarbeid aan de Birmese spoorlijn hun leven, 1000 in Sumatra. Vele duizenden romusha's verloren eveneens het leven.

    42.000 Koloniale militairen, onder wie blanke en gekleurde Nederlanders, Surinamers, Molukkers en anderen werden in Nederlands-Indië als krijgsgevangenen opgesloten (20.000 Engelse burgers en 50.000 krijgsgevangenen op het Maleisisch schiereiland, 27.000 Fransen in Indochina). Uit de bezette gebieden van Oost-Azië werden in totaal 68.000 krijgsgevangenen en burgers in transportschepen naar andere delen van het Japanse imperium vervoerd, naar China, Taiwan en Japan, sommigen naar Nagasaki (zie bij Verhalen: toespraak Han Bawits en herinneringen Ronald Scholte). Bij de transporten over zee verloren duizenden door gebrek aan lucht en voeding, en vooral door aanvallen van de geallieerden hun leven. De schepen vervoerden ook wapens en waren vanuit de lucht niet herkenbaar als gevangenenvervoer. Een berucht transport was dat met de Junyo Maru. Alle vijftien ‘hell ships’ hadden een naam eindigend op Maru.

    Op 16 september 1944 was het Japanse schip Junyo Maru met meer dan 6.000 opvarenden uit Tandung Priok, Java, vertrokken. 4.200 van hen waren Javaanse dwangarbeiders, ‘romusha’. De overigen waren Nederlandse, Surinaamse, Britse, Australische en Amerikaanse krijgsgevangenen. Op 18 september torpedeerde de Britse onderzeeër HMS Tradewind het schip. Het zonk en slechts 880 personen overleefden. Het zou de derde grootste scheepsramp ooit worden. Onder de verdronkenen waren rond de duizend KNIL-lers, negen van hen uit Suriname (zie daar). Het grootste deel van de overlevenden werd tewerkgesteld aan de dodenspoorweg in Sumatra, de Pakan Boeroe-lijn (zie ook Andere Tijden, 25 febr. 2003, http://geschiedenis.vpro.nl/programmas).
    Ongeveer 8.500 van alle 42.000 krijgsgevangen KNIL-militairen, ofwel een vijfde, vond de dood.
    De meeste herinneringen aan de Japanse bezetting van Nederlands-Indië zijn opgetekend door de burgers uit de interneringskampen. Er werden, ondanks het verbod, zeer veel dagboeken bijgehouden, zoals bijvoorbeeld de kampaantekeningen van prof. dr. I.J. Brugmans.

    Bronnen:
    Beelden van de Japanse bezetting van Indonesië. Persoonlijke getuigenissen en publieke beeldvorming in Indonesië, Japan en Nederland. Redactie: Remco Raben Waanders-NIOD 1999.

    Informatie Broeders van Huijbergen, algemeen overste broeder Eduard Quint

    Data privécollectie John T.S. Brouwer de Koning versie 4.3

    www.go2war2.nl
    www.cofepow.org.uk/remembrance

    Foto’s: www.museumverbindingsdienst.nl/leven3


  • 15 Augustus en de oorlog in ZO-Azië

    Stichting Herdenking 15 augustus 1945

    Waarom herdenken op 15 augustus?

    De 5de mei is de dag waarop jaarlijks officieel de bevrijding van de Duitse overheersing wordt herdacht. Maar toen op 5 mei 1945 de Duitsers capituleerden, drukte de Japanse overheersing van het voormalige Nederlands-Indië nog zeer zwaar op allen die daar toen woonden. Voor de Nederlanders uit dat vroegere Indië geeft daarom de datum van de capitulatie van Japan, de 15e augustus 1945, en daarmee het werkelijke einde van de Tweede Wereldoorlog, het keerpunt in hun geschiedenis aan.

    Anders dan in Nederland, bracht de datum waarop de overheerser capituleerde geen bevrijding. Toen Japan zich overgaf, waren er nog geen geallieerde troepen Indië binnengetrokken. De Japanse militairen mochten niet meer de Japanse doelstellingen nastreven, maar kregen opdracht orde en rust te bewaren totdat de geallieerde troepen de macht konden overnemen.
    Maar twee dagen na de capitulatie van Japan, besloot een invloedrijke groep Indonesiërs de Republiek Indonesië onafhankelijk te verklaren, onafhankelijk van Nederland én onafhankelijk van Japan. Als gevolg daarvan begonnen Indonesische strijdgroepen alles in het werk te stellen om wapens van het Japanse leger te bemachtigen om te voorkomen dat de Nederlanders hun voormalige machtspositie zouden terugkrijgen; het begin van de onafhankelijkheidsoorlog was een feit en ging met veel afschuwelijk geweld gepaard.

    Voor de Nederlanders in het vroegere Indië bracht de 15e augustus 1945 dus niet alleen geen bevrijding, in feite markeert die datum het begin van het definitieve einde van het Nederlands-Indië waar zij opgegroeid waren, hadden gewoond, gewerkt en in de oorlog hadden geleden. Velen van hen, gaven - en geven soms nog steeds - de Japanners de schuld van het definitieve verlies van hun land van herkomst.
    De 15e augustus is elk jaar de dag waarop al die ingrijpende gebeurtenissen voor de Nederlanders in Z.O.-Azië en de mensen, die als gevolg daarvan het leven lieten, worden herdacht.

    Waarom ontstond de Japanse agressie en wat waren de gevolgen?

    Weinigen staan stil bij het feit dat Nederland in de 19e eeuw een belangrijke bijdrage heeft gegeven aan de metamorfose die Japan toen onderging, namelijk van een van de buitenwereld afgezonderd land naar een internationaal belangrijke industriële mogendheid. Nederland heeft Japan ondermeer op het gebied van de scheepsbouw veel geleerd en daarmee Japan in staat gesteld een geduchte zeemacht te worden.

    Door de sterke industrialisatie werd Japan geconfronteerd met het feit dat het zelf weinig of geen essentiële grondstoffen had. Kijkend naar de Westerse mogendheden die rond 1900 zich via koloniën voorzagen in die behoefte (Nederland vocht toen bijv. in de Indische archipel om het olierijke Atjeh), liet Japan het oog vallen op Mantsjoerije, waar echter ook Rusland een vinger in de pap wilde hebben. Dit resulteerde in de Japans-Russische oorlog die voornamelijk op zee werd uitgevochten en die in 1905 door Japan werd gewonnen.
    Met dit wapenfeit zette Japan zich op de wereldkaart. Maar de Westerse mogendheden stonden Japan niet toe zich Mantsjoerije toe te eigenen; wel gingen zij akkoord met het koloniseren door Japan van Korea en Taiwan.


    Foto: www.sh15aug1945.nl

    Dit kleineren van Japan door het Westen was de Japanse militairen een doorn in het oog. Na de dood in 1912 van de Japanse keizer Meiji, onder wiens bewind Japan zich industrieel zo ontwikkeld had, werd diens lichamelijk en geestelijk weinig sterke zoon keizer. Gedurende zijn zwakke bewind, dat in de Japanse jaartelling de Taisho-periode wordt genoemd, zorgden de militairen ervoor dat diens zoon Hirohito, en kleinzoon van de glorieuze Meiji-keizer, van kinds af aan sterk militairistisch werd opgevoed en getraind. Hoewel Hirohito geen martiale uitstraling had, bleek hij intellectueel militair wel begaafd te zijn.

    Toen Hirohito in 1926, na de dood van zijn vader, keizer werd - de Showa-periode in de Japanse jaartelling - zagen de militairen kans om langzaam maar zeker de Japanse staat naar hun hand te zetten. Het resultaat was uiteindelijk een militiare dictatuur waaronder de Japanse burgers, door middel van indoctrinatie van opofferingsgezindheid voor de keizer, tot medio 1945 zouden zuchten. Die indoctrinatie ging zover dat van iedereen verwacht werd zijn of haar leven voor de keizer te willen geven. Eén van de gevolgen was dat veel militairen voor in de naam van de keizer begane oorlogshandelingen en (gruwel)daden geen schuldgevoel konden opbrengen.

    In 1931 slaagde het Japanse leger erin, via een uitgelokt 'incident', Mantsjoerije te annexeren en zo de 'rechtmatige prijs' van de gewonnen Russisch-Japanse oorlog alsnog binnen te halen. Toen dat gelukt was, en de internationale gemeenschap wel protesteerde maar verder niets deed, werd de blik op China gericht. Ook de Westerse mogendheden waren hun invloed in China aan het uitbreiden - er was in Sjanghai een Engelse, Duitse en Franse enclave en de Engelsen probeerden met de invoer van opium de wankele Chinese regering onderuit te halen. Japan echter vond dat 'Azië voor de Aziaten' bestemd was.

    In 1933 verliet Japan doelbewust de Volkenbond. Het onttrok zich daarmee aan de internationale vlootverdragen, waarmee de internationale gemeenschap de uitbouw van de Japanse vloot dacht te blokkeren. Japan maakte nu plannen voor een zeer sterke gewapende macht, en voerde die ook uit. Zo bouwde het zware kruisers die 30% groter waren dan hun vermoedelijke tegenstanders, hun superslagschepen zelfs bijna 50%. De nieuwe Japanse torpedo was bijna twee keer zo groot, reikte drie keer zo ver en had geen zichtbare bellenbaan. Het leger, inmiddels gehard in jarenlange veldtochten, specialiseerde zich in het gevecht in de jungle; daarvoor was een effectief geweer ontwikkeld. Het Mitsubishi jachtvliegtuig, de 'Zero' jager zou door zijn wendbaarheid in het eerste oorlogsjaar de grote verrassing worden voor de geallieerden.



    In weerwil van deze militaire overmacht stagneerde de in 1936 gestarte opmars in China, een doorstoot naar het binnenland en naar de verplaatste hoofdstad Tsjoengking bleef uit. Ondanks meerdere landingen en massa-executies als de 'Rape of Nanking' - waarbij honderdduizenden burgers afschuwelijk vermoord werden - hadden leger en marine te weinig successen te melden ter bevestiging van hun heroïek.
    Om zich uit deze knellende situatie te bevrijden besloten de Japanse militairen, met medeweten van keizer Hirohito, heel Z.O.-Azië onder controle te krijgen. De eerste stap van dit Nanjo-plan was het bezetten van enkele strategische eilanden ten zuiden van China in voorjaar 1939. Door de alliantie met Duitsland kon vervolgens de vrije toegang tot Frans Indo-China in september worden afgedwongen van de collaborerende Vichy-regering in Frankrijk. Dit leidde tot onderhandelingen met de Verenigde Staten, die dreigde met een olieboycot als China en Indo-China niet ontruimd werden. Tegelijkertijd stuurde Japan een delegatie naar Batavia om de levering van olie uit Nederlands-Indië te regelen. De afwijzing daarvan eind juni 1941 door het Indische Gouvernement en het olie-embargo van de Verenigde Staten in augustus 1941 werden in Japan uitgelegd als de samenzwering van wat toen genoemd werd de ABCD-landen (the Americans, the British, the Chinese and the Dutch).



    Hierop ontstond het gedurfde plan om door een aanval op Pearl Harbor in één klap de Amerikaanse vloot in de Pacific uit te schakelen, waarna de weg open zou liggen naar Malakka, Singapore, het olierijke Nederlands-Indië, de Philipijnen en zelfs Australië.

    Op 7 december 1941 bombardeerden de vliegtuigen van de Japanse marine Pearl Harbor en openden daarmee de oorlog in de Pacific. Die Japanse aanval werd een groot succes, ook omdat in de dagen daarna de Japanse luchtmacht in de Philippijnen de helft van de Amerikaanse bommenwerpers vernietigde en bij Singapore de Britse slagschepen met torpedo's en bommen tot zinken bracht. In de tijd van een paar weken veroverde Japan vervolgens inderdaad Malakka, Singapore, Nederlands-Indië en de Philippijnen.
    De strijd was kort omdat de geallieerden - waaronder de Nederlanders - de kracht, de technische uitrusting en de taaie volharding van het Japanse militaire apparaat volledig onderschat hadden. In Nederlands-Indië had de overheid bovendien er niet op gerekend dat de lokale bevolking de Japanners aanvankelijk als 'bevrijders' zou binnenhalen en toejuichen. Op 15 februari ging de Nederlandse vloot bij de Slag in de Java Zee ten onder en op 8 maart 1942 capituleerde het Koninklijk Nederlands Indisch Leger.

    Het Japanse beleid ten aanzien van de Europeanen

    Door de snelle overgave van de geallieerden vielen vele tienduizenden krijgsgevangen in Japanse handen. De Japanse militairen zelf waren geïndoctrineerd dat ze zich nooit mochten overgeven, maar zich letterlijk dood moesten vechten. Zij hadden daarom weinig respect voor de geallieerde krijgsgevangenen en wisten aanvankelijk met die grote aantallen krijgsgevangenen ook geen raad. Al snel werd besloten deze krijgsgevangen als dwangarbeiders in te zetten. Het begon met het laden en lossen van schepen, daarop volgde de aanleg van vliegvelden (o.a. in de Molukken en op Flores) en van spoorlijnen (o.a. de Birma-spoorweg en de Pakan Baroe-spoorweg), en uiteindelijk ook het werk in de mijnen en scheepswerven in Japan.



    Bij de capitulatie op 8 maart 1942 maakte het Japanse leger op Java bijna 90.000 krijgsgevangenen: 67.000 KNIL-militairen en bijna 22.000 Britten, Australiërs en Amerikanen. Van de KNIL-militairen ontsnapten er 9200 en werden 15.000 inheemsen geronseld als Heiho-hulpsoldaten voor het Japanse leger. Uiteindelijk gingen bijna 43.000 mannen in krijgsgevangenschap, waaronder bijna 5000 inheemse militairen die Nederlands-Indië trouw bleven.
    De omstandigheden waaronder deze krijgsgevangenen aan het werk werden gezet waren zowel qua huisvesting in de kampen, voeding als gezondheidszorg erbarmelijk. Bovendien was er sprake van een schrikbewind waarbij doden niet geteld werden. Van 8 maart 1942 tot en met 15 augustus 1945 zijn zo'n 8.500 KNIL krijgsgevangenen uit Nederlands-Indië omgekomen (3.100 aan de Birma-spoorweg; 1.000 aan de Pakan Baroe-spoorweg; 3.100 bij de torpedering van krijgsgevangen-transportschepen - alleen al bij de ondergang van de Junyo Maru lieten 1600 krijgsgevangenen het leven plus circa 4000 Indonesische romusha's - , 600 bij de aanleg van vliegvelden e.d. en 700 in de kampen in Japan). Van de Nederlandse, Britse en Amerikaanse krijgsgevangen haalde één op de vier à vijf het einde van de oorlog niet.



    Tussen midden 1942 en begin 1943 werden geleidelijk ook alle Nederlandse burgers geïnterneerd. Ook de Indo-europeanen, waarvan meer dan de helft van de voor-ouders blank was, moesten dat lot ondergaan. In feite wilden de Japanners door de Nederlanders te interneren hen 'onzichtbaar' maken voor de lokale bevolking. In totaal ging het om bijna 100.000 personen, 33.000 mannen en jongens, 67.000 vrouwen en kinderen. De leeftijdsgrens voor het interneren van jongens in mannen- of jongenskampen zakte geleidelijk van 15 jaar naar 10 jaar (dat is niet overal doorgezet omdat in een aantal kampen moeders zich daartegen met succes hebben verzet. Ook het afvoeren van meisjes naar bordelen is in een aantal gevallen door moeders met succes geblokkeerd. Dit neemt niet weg dat begin 1944 er toch meisjes naar bordelen zijn afgevoerd).



    Veel interneringskampen waren in het begin niet meer dan strikt afgeschermde stadswijken; in 1944 werden de bewoners van enige honderden 'wijken' geconcentreerd en in enkele tientallen overvolle barakken-kampen gepropt. In de loop van de oorlogsjaren verslechterde ook de voedingssituatie en de hygiëne. Daarnaast zorgde het brute optreden van de Japanners en hun handlangers (Koreanen en Indonesische hulpsoldaten of Heiho's) voor een sfeer van constante angst.
    Aan het eind van de oorlog bleek dat er in de burgerkampen rond 16.800 mensen zijn omgekomen, naar verhouding meer mannen dan vrouwen en kinderen.



    Voor diegenen met Indisch bloed die buiten de kampen mochten blijven, was de situatie vaak minstens even zorgelijk. Doordat de kostwinner in veel gevallen als krijgsgevangene wel was geïnterneerd, ontbrak het vele gezinnen aan inkomen en moesten de vrouwen maar zien hoe ze de kost bij elkaar kregen. Bovendien waren ook zij onderhevig aan de willekeur van de Japanse meesters, waaronder ook dwangprostitutie.

    Het wederzijds niet begrijpen van elkaars cultuur heeft in veel situaties verschrikkelijke gevolgen gehad. Het verplicht buigen stond gelijk aan de groetplicht in het leger en was niet zozeer als treiterij bedoeld. In het Japanse leger zelf was slaan, of waren zware lijfstraffen en zelfs het ter dood brengen, een normale tuchtmaatregel. In de ogen van de bezetter was een pak slaag een humane straf, een celstraf een grotere schande omdat het meer gezichtsverlies gaf. Als je ter dood moest worden gebracht was onthoofding eervoller dan de kogel en dat was weer eervoller dan bajonettering.



    De 'humane' straf van slaan en afrossen kon iedereen overkomen, dit kon iedere Japanner iemand aandoen. Ook een onschuldige kon dit overkomen: werd de 'schuldige' niet gevonden, dan werd al snel een ander gegrepen of een hele groep gestraft. Waren voor de krijgsgevangenen deze straffen al moeilijk te verkroppen, voor vrouwen, jonge jongens en meisjes en oude mannen was dit bijna nog gruwelijker. Voor velen was de geestelijke beschadiging groot. Het herstel daarvan - voor zover mogelijk - kon ook na de oorlog nog jaren vragen.

    Van een systematische verzetsbeweging kon bijna geen sprake zijn. Dat neemt niet weg dat er overal groepjes zijn geweest die manhaftig geprobeerd hebben het de Japanners moeilijk te maken. Aangezien de Japanners er - ten onrechte - van overtuigd waren dat achter het verzet een strakke organisatie schuilde met een van te voren beraamd strategisch plan, deden zij alle moeite dit verzet uit te roeien. Zo zijn veel van die groepen door de Japanse militaire politie, de Kempei Tai, opgerold en betrokkenen hebben bij hun ondervraging de meest gruwelijke folteringen moeten ondergaan.
    Vrijwel niemand van hen heeft het kunnen navertellen. Ook veel onschuldigen hebben zo het leven moeten laten, vooral in Sumatra en Borneo. Eén van de redenen waarom verzets- en guerilla-achtige eenheden vaak geen kans kregen, was de passieve houding van de lokale bevolking. Een deel van die bevolking koos, vooral in het begin, voor de nieuwe heerser. De sympathie van de bevolking voor de Japanners werd allengs echter, en zeker vanaf 1944, veel minder, maar de Kempei Tai had een geraffineerd kliksysteem ingevoerd waardoor de bevolking geen kant meer uit kon.

    Politieke ontwikkelingen buiten de kampen

    Kort na de capitulatie van het KNIL wapperde hier en daar de Indonesische vlag en werd ook het volkslied wel gezongen. Maar al op 20 maart 1942 werden die uitingen door de bezetter verboden. Het streven naar autonomie voor Indonesië werd vakkundig gesmoord. Het ronselen en trainen van Indonesiërs voor het Heiho-hulpleger en het PETA-vrijwilligerskorps was, vanuit de Japanse optiek, uitsluitend bedoeld ter ondersteuning van de Japanse oorlogsinspanning.
    Het was niet meer 'Azië voor de Aziaten', maar 'Japan het licht, de beschermer en de leider van Azië'. De oprichting van vele soorten van federaties werd gelast: voor alle Moslems, alle Chinezen, Arabieren, en ook voor de (nog) vrije Indo-Europeanen. Zo ook federaties voor alle suikerfabrieken, winkeliers, handelaars, journalisten, artsen en apothekers.



    Rijstdistributie werd ingevoerd en de alleenverkoop van landbouwproducten aan Japan. Particuliere landerijen werden onteigend en onder beheer gesteld. Prijzen, salarissen en huren werden verlaagd en bevroren. Alle scholen werden gevorderd.



    In 1942 werden opgericht de Keibodan (hulppolitie), de Barisan Pemoeda Asia Raya (groot-Aziatisch jeugdkorps), dat later opging in de Seinendan (de militaire jeugdbeweging). Verder werd het Tonarikumi systeem ingevoerd voor de buurtgewijze indeling van kampongs en dessa's in een Aza (of wijk). Hiermee kon de Japanse invloed tot diep in de samenleving doordringen.

    Vooraanstaande Indonesiërs kregen in december 1942 opdracht voor het ontwerpen van een overkoepelende organisatie de 'Poetera' (Poesat Tenaga Rakjat, of centrum van volkskracht) tot bundeling van de volksaktiviteit en samenwerking met Japan. Deze koepel was aanvankelijk uitsluitend bestemd voor Indonesiërs en had een Indonesische signatuur; een jaar later zou zij worden omgezet in een organisatie naar Japanse snit: de Djawa Hokukai (Nationale Volksbeweging).
    Veel hand- en spandiensten voor Japan werden hierdoor geregeld. Werving voor PETA, Heiho, Keibodan en Seinendan (leger, hulpmilitie, hulppolitie en jeugd) werd via het Tonarikumi systeem afgedwongen; aanwijzing voor romusha-dwangarbeid werd geïntensifieerd, acties tegen niet-loyale Indische Nederlanders gestart. Verder werden verplichte rijstleveranties opgelegd, er kwam controle op de oogst en gedwongen verbouw; de Seinendan ging op speurtocht naar verborgen voedselvoorraden. De verbouw van Djarak-planten (een ricinus-plant die oliehoudend is) werd verplicht voor de winning van motorolie voor Japanse vliegtuigen. Er kwam in 1944 een gedwongen spaaractie, Indonesiërs met spaarbankboekjes moesten hun tegoeden afstaan.
    De werving van romusha's of werksoldaten heeft een ongekende omvang gehad. De meesten zijn op Java en Sumatra ingezet voor de aanleg van vliegvelden en spoorwegen. Verder voor de kolenmijnen in Borneo, de nikkelwinning in Celebes en voor vliegvelden in Nieuw-Guinea. De romusha's moesten onder de meest erbarmelijke omstandigheden (nog slechter dan die van de krijgsgevangen dwangarbeiders) aan het werk en stierven bij bosjes. Volgens Indonesische schattingen uit 1951 zijn er gedurende de oorlog enige miljoenen romusha's afgevoerd en vele honderdduizenden omgekomen.

    In weerwil van de vele vergaderingen van een groot aantal organisaties van de Djawa Hokukai ging het slecht met de welvaart. Na de internering van Europeanen en de toenemende Japanse dwangmaatregelen liepen de cultures achteruit, en werd de volksgezondheid slechter. De prijzen in 1944 onder de Japanse bezetting waren het zesvoudige van die in 1938 onder het Nederlands-Indisch Gouvernement. Rijstrantsoenen waren verlaagd en er kwamen voedselrellen. Kleding was niet meer te krijgen. Goud, zilver en sieraden moesten ingeleverd worden. Autobanden en olie waren alleen verkrijgbaar voor leger en overheid.
    In juli 1944 werden 48 Heiho's gefusilleerd wegens dienstweigering, ook eind 1944 vonden nog verschillende executies plaats. In januari 1945 brak een opstand uit in Blitar onder de PETA, bij de gevechten sneuvelden 68 Indonesische militairen. De bevolking van het rijke Indonesië ging in het laatste oorlogsjaar gebukt onder enorme tekorten aan rijst en andere levensbehoeften, als textiel en brandstof. Er kwam openlijk kritiek op de dwingelandij van de bezetter en zijn onmenselijke behandeling van de romusha's. Dit kon vooral gebeuren omdat er steeds meer berichten doorsijpelden die wezen op een verloren oorlog.
    Door Japan werd begin 1945 voorgesteld om de Hokukai te vervangen door een organisatie Angkatan Baroe: de Nieuw Lichting; in mei 1945 werd ernst gemaakt met een belofte van premier Koiso van september 1944 (acht maanden daarvoor !) voor meer onafhankelijkheid. De rood-witte vlag werd toegestaan, de naam Indonesia werd ingevoerd, commissies deden voorstellen en organisaties maakten zich gereed voor de nationale zaak.

    Het krijgstoneel, de capitulatie, maar geen vrede

    Terwijl de Japanners heer en meerster van de Indische archipel waren, speelden de gevechten met de geallieerden, en met name de Amerikanen, zich aan de rand daarvan af. Omdat de Japanse opmars naar het zuiden in mei en juni 1942 al vastliep door resp. de verloren slag in de Koraalzee en de slag om Midway, en dit nieuws via klandestiene radio's in de interneringskampen bekend werd, ontstond er bij de (krijgs-)gevangenen het idee dat de oorlog wel snel afgelopen zou zijn. Niets was minder waar.
    De Japanners verdedigden de door hen veroverde gebieden met man en macht en ten koste van enorme verliezen, ook aan Amerikaanse zijde. Daarom besloot het Amerikaanse oppercommando om niet eerst Indië te bevrijden maar om via twee aanvalsrouten zo snel mogelijk tot Japan zelf door te stoten. De westelijke route ging over de Phippijnen, de oostelijke langs eilanden in de Pacific. Kleine eilanden werden zo van enorm strategisch belang omdat zij vliegvelden konden opleveren van waaruit bommenwerpers het volgende doel en tenslotte Japan konden gaan bestoken.



    Eén zo'n eilandje, het berucht geworden Iwo Jima (van de foto waar 5 mariniers de Amerikaanse vlag plantten) is in vier weken op de Japanse bezetting veroverd, waarbij de gehele Japanse bezetting van 22.000 man zich heeft doodgevochten en de Amerikanen bijna 7.000 doden en 19.000 gewonden te betreuren hadden. Deze onvoorstelbare grote verliezen, die zich ook hadden voorgedaan bij de verovering van Nieuw Guinea en de Philippijnen hebben het Amerikaanse opperbevel doen beseffen dat een invasie van Japan zelf een massaslachting van ongekende omvang zou opleveren. Toen op dat moment de eerste atoombommen operationeel beschikbaar kwamen, is besloten dat wapen in te zetten. Zo werden op 6 en 9 augustus 1945 de steden Hiroshima en Nagasaki met de grond gelijk gemaakt. Het aantal doden dat toen (en ook later als gevolg van straling) is gevallen is vele malen minder dan het aantal dat bij een invasie de dood zou hebben gevonden. Ook Nederlandse gevangenen kwamen om het leven. Ronald Scholte (1924) overleefde de aanval op Nagasaki (zie Verhalen).
    Het schokeffect was zodanig dat de Japanse keizer, tegen de zin van het leger, besloot om op 15 augustus 1945 te capituleren.





    Voor veel mensen in de interneringskampen, maar ook voor hen die niet geïnterneerd waren, kwam de capitulatie net op tijd. De gezondheidssituatie was dermate slecht (dysenterie, malaria, honger-oedeem), dat het aantal doden aanzienlijk groter zou zijn geweest als de oorlog een paar maanden later geëindigd was.



    Doordat de geïnterneerden gedurende de oorlogsjaren afgesneden waren van de buitenwereld konden zij niet waarnemen dat het nationalisme in Indonesië in brede lagen van de bevolking wortel geschoten had. Toen de Nederlanders, na de capitulatie van Japan, dachten het leven van vóór de oorlog weer te kunnen oppakken, werden zij geconfronteerd met het feit dat op 17 augustus 1945 de Indonesische nationalisten Soekarno en Hatta de onafhankelijke Republiek Indonesia hadden uitgeroepen.



    Daarop kwamen Indonesische strijdgroepen ('Pelopors' of voorlopers/ voorhoede vechters) in actie, die zich ten doel hadden gesteld de Nederlanders en hun Indo-europese 'aanhang' te vermoorden, zodat het koloniale bewind niet hersteld zou kunnen worden. In deze bittere, verwarrende en bloedige periode, de 'bersiap' ('bersiap' is het Indonesische commando 'geeft acht'), probeerden de inmiddels hier en daar gelande Engelsen en Ghurka's - samen met de Japanners - de Nederlanders te beschermen en te evacueren. In de steden Bandoeng en Semarang zijn het zelfs de Japanse lokale commandanten (resp. generaal Mabuchi en majoor Kido) geweest die de Nederlanders effectief beschermd hebben tegen de Indonesische strijdgroepen, ondanks het feit dat zij zelf vóór de onafhankelijkheid waren.
    Veel Indo-europeanen en Chinezen, die tijdens de oorlog buiten het kamp bleven, werden nu door de Indonesische politie geïnterneerd om ze te beschermen tegen die strijdgroepen die hen, samen met de Hollanders, wilden afslachten.

    Hoewel de Nederlandse overheid eind 1945 weer terug was in Batavia (Jakarta) en sommige delen van het land weer onder Nederlands gezag begonnen te functioneren, bleek de Indonesische 'overheid in wording' in veel streken het gezag uit te oefenen.
    Nederland wilde nog niet de realiteit onder ogen zien, dat Indonesië een zelfstandig land was geworden. Ondanks het feit dat Nederland zelf net vele jaren van oorlog en onderdrukking achter de rug had, werd een troepenmacht van zo'n 100.000 man naar Indië gestuurd.
    Na vele mislukte onderhandelingen en twee militaire acties (de zogeheten 'Politionele Acties' van juli 1947 en december 1948), die onder externe internationale druk beide binnen tien dagen moesten worden afgebroken, erkende Nederland in 1949 het rechtmatig bestaan van de Republiek Indonesië. In december van dat jaar werd het gezag overgedragen, en kwam er een eind aan 350 jaar Nederlandse betrokkenheid in de Indische archipel.



    Een grote stroom repatrianten van Indonesië naar Nederland was het gevolg. Het toen gebruikelijke woord 'repatriant' gaat echter voorbij aan het feit dat velen van hen nog nooit een voet op Nederlandse bodem hadden gezet en dat de aankomst in Nederland en het 'verlies van Indië' emotionele schokken teweeg hebben gebracht waar velen van hen nooit helemaal overheen gekomen zijn. Veel gerepatrieerden moesten bij het vinden van een nieuw bestaan veel problemen overwinnen, voor hun verhalen over wat zij hadden meegemaakt was geen aandacht en zij proefden bij sollicitaties vaak duidelijke, onredelijke argwaan.
    En dan waren er de Molukkers en Indo's, die na vijftien jaar onzekerheid over hun bestaan alsnog de wijk moesten nemen naar een koud land, dat zij alleen uit verhalen kenden.

    En tenslotte de allerjongsten, die zich jarenlang verloren voelden in een onbegrepen en onduidelijk gebleven maalstroom; die in hun jeugd geen geborgenheid kenden, maar alleen onzekerheid en angst en die dit manco soms nog lang met zich meedroegen.
    Op een andere manier wachtte zo'n schok ook de militairen van het KNIL en de Kon. Landmacht, die hun plicht hadden gedaan tegenover Regering en Vorstin, en die in de loop van de jaren getrakteerd werden op emotionele en vaak onterechte kritiek op hun 'vuile' oorlog.

    Daarom heeft voor de Nederlands-Indische gemeenschap in Nederland de herdenking op de 15e augustus een eigen veelomvattende betekenis, een betekenis die nooit door de herdenking op 4 en 5 mei kan worden overgenomen.

    Tekst: Hans Liesker en Peter Slors
    Stichting Herdenking 15 augustus 1945


    Nederlands-Indië (homoseksuelen)

    Een nog vrij onbekend hoofdstuk vormt de positie van homoseksuelen in Nederlands-Indië in de jaren dertig en veertig van de 20e eeuw. Marieke Bloembergen publiceerde erover in haar 'De geschiedenis van de politie in Nederlands-Indië. Uit zorg en angst.' (Boom/KITLV, november 2009). Dieptepunt vormde een razzia op homoseksuele mannen uit de koloniale elite tussen november 1938 en januari 1939. Deze was aangesticht door de Javabode, wiens hoofdredacteur sympathiseerde met de NSB, en de Christelijke Staatspartij. Ook de resident van Batavia en hoofd van de politie, Fievez de Mailines van Ginkel, was slachtoffer. De bekendste van de 223 arrestanten woonde op Bali. Het was de vermaarde Duitse kunstenaar Walter Spies.

    Walter Spies
    De in Rusland geboren, veelzijdige Duitse schilder en kunstenaar Walter Spies (1895-1942) was na zijn komst naar Bali (1927) het middelpunt geworden van een 'Artisten Coöperatie' met de naam Pita Maha. De coöperatie omvatte Balinese kunstenaars. Spies had internationale faam en werd op Bali bezocht door beroemdheden als Charley Chaplin, de cultureel antropoloog Margaret Mead, de schrijfster Vicky Baum en de filmmaker Von Lessen. De laatste drie produceerden er belangrijke werken.


    Walter Spies (foto: adhidharma.net)

    In december 1938 werd Spies gearresteerd vanwege de 'ongebreidelde sensualiteit' in de groep waarvan hij het centrum was. Zijn arrestatie maakte deel uit van een heksenjacht tegen al of niet vermeende homoseksuelen in Nederlands-Indië. De resident van Batavia en hoofd van de politie aldaar, Feviez de Malines van Ginkel en vele andere leidende figuren werden opgepakt. De jacht was een echo van de affaire-Ries in Nederland. De joodse topambtenaar L.A. Ries werd in 1936 ten onrechte beschuldigd van seksuele handelingen met een minderjarige (onder de 21 jaar) en moest aftreden. De affaire paste in het politiek conservatieve klimaat van de crisistijd, waarin nazi-Duitsland dreiging en inspiratie was. In Indië was ook crisis en oorlogsdreiging, hier vanuit Japan.
    Walter Spies kreeg in zijn cel de gelegenheid verder te schilderen en vergeleek zijn gevangenschap met het schudden van vloeistoffen 'voor gebruik'. Bevriende Balinezen hielden een gamelan-concert bij het gevang. In de cel in Surabaya schilderde hij een van zijn beste werken, 'The landscape and its children'. Na acht maanden kwam hij vrij. Een tweede arrestatie, om andere redenen, volgde in mei 1940. Spies was Duitser en behoorde vanaf de bezetting van het koloniale moederland tot een vijandige natie. Hij werd geïnterneerd in kamp Ngawi op Oost-Java en Kotatjane op Sumatra. Deze keer kwam hij niet vrij. Ook kreeg hij geen toestemming om zijn schilderspullen uit Bali te laten overkomen.


    SS Van Imhoff (foto: photoship.co.uk)

    Met vermoedelijk 477 andere Duitse gevangenen werd hij vanwege de Japanse dreiging begin 1942 op de ss Van Imhoff (KPM) naar Brits Indië vervoerd. Het schip werd een dag na vertrek op 18 januari, niet ver van het eiland Nias bij West-Sumatra, aangevallen door een Japanse bommenwerper. De kapitein wilde de geïnterneerden niet zomaar vrijlaten. Hij ging met de bemanning, de soldaten en de bewakers, rond 140 man, in de beschikbare reddingsboten het vaartuig af en liet de gevangenen ingesloten door prikkeldraad in het ruim achter. Op het laatste moment werden hen kniptangen gegeven. Ongeveer de helft kon zich uit het langzaam zinkende schip redden. Een overlevende, J. Grashoff, zag de boten met de Nederlanders, waar nog veel plaats was, op 500 meter afstand liggen. Een Nederlands schip dat op het alarmsignaal van de Van Imhoff had gereageerd, bood geen hulp toen men merkte dat het om Duitsers ging. Van de geïnterneerden die uit het schip hadden weten te komen kwam na vijd dagen een groep van 67 op het eiland Nas aan. Walter Spies behoorde tot de naar schatting 411 Duitsers die bij de ondergang van de Van Imhoff, of in de dagen daarna, om het leven kwamen. Een Nederlandse oorlogsmisdaad?
    Werken van Walter Spies zijn te zien op Bali in het Agung Rai Museum of Art (ARMA) en het Rautenstrauch-Joest Museum in Keulen, waar ook de Walter Spies Society is gevestigd.

    Bronnen:
    - www.nos.nl/nosjournaal/artikelen/2009/11/14/141109_jacht_op_homos_indie.html
    - NOS-documentaire uit 1981 over Walter Spies: Schoonheid en Rijkdom
    - www.walterspies.com/walter_spies_biography.html
    - www.adidharma.net/features/walterspies.jpg
    - en.wikipedia.org/wiki/Walter_Spies
    - users.skynet.be/network.indonesia/bart003.htm
    - www.nrcboeken.nl/recensie/rederij-koninklijke-paketvaart-maatschappij-wel-en-wee-van-een-indische-rederij-door-a-j-j-
    - www.volkskrant.nl/archief_gratis/article624087.ece/Wie_was_mr_L.A._Ries
    - www.nieuwsdossier.nl/dossier/1941-01-19 [verkeerd jaar]
    - Ad van Liempt, De Oorlog. Drama's in de Indische archipel. Volkskrant 5 dec. 2009

    Herdenkingstoespraak dr. Bernard Bot, minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden
    Den Haag, 15 augustus 2005


    Foto: www.minbuza.nl

    Geachte aanwezigen, dames en heren,

    De Stichting Herdenking 15 augustus 1945 ben ik dankbaar voor de mogelijkheid vandaag de herdenkingstoespraak te houden. Dat is voor mij, als minister van buitenlandse zaken en vertegenwoordiger van de regering, een eervolle taak. Maar ik sta hier ook, net als velen van u, als een kind van Indië. Net als bij u roept deze herdenking bij mij gevoelens en emoties op, komen op deze dag zowel positieve als negatieve herinneringen boven aan Indonesië, 5 tijdzones en 14.000 kilometer van deze plek verwijderd, maar gevoelsmatig toch zo nabij. Het zijn herinneringen die je de rest van je leven meedraagt, maar een optimistische en toekomstgerichte levenshouding niet in de weg hoeven te staan. Immers, herdenken is, naast herinneren, ook vooruitzien.

    Eerst het verleden: met de capitulatie van Japan, precies 60 jaar geleden, kwam ook een einde aan de Japanse bezetting van Nederlands Indië, een bezetting die zovelen van ons leed had berokkend. Wij gedenken de familieleden en vrienden die tijdens de Japanse bezetting het leven lieten of hebben geleden. Wij gedenken ook de talloze Indonesische dwangarbeiders, de Romusha’s, die vaak naamloos stierven.

    Na de capitulatie was het leed, in tegenstelling tot wat toen vurig werd gehoopt, nog niet geleden. Meteen na de capitulatie ontstond een machtsvacuüm dat slechts geleidelijk kon worden opgevuld door de Britten. Tijdens deze zogeheten Bersiap-periode verloren vele duizenden onschuldige Nederlands-Indische en Indonesische burgers, veelal vrouwen en kinderen, het leven.

    In de jaren daarna volgde een pijnlijke, langdurige en gewelddadige scheiding der wegen tussen Indonesië en Nederland. Voor wat betreft grote delen van de Nederlands-Indische gemeenschap spreken wij dus over vele jaren van fysiek en psychisch leed.

    Zelf kijk ik met gemengde gevoelens terug op mijn kamptijd in Tjideng. Als kind word je misschien iets minder snel geraakt door het leed en de ontbering om je heen, vat je de dingen wat makkelijker op. Maar je wordt ook sneller volwassen. Een verblijf in het weeshuis, toen mijn moeder in het ziekenhuis werd opgenomen, maakte mij, zoals dat heet, vroeg “streetwise”.

    Waarschijnlijk daarom staat die periode scherp in mijn geheugen geëtst. Ik herinner me nog levendig de internering, het vertrek van mijn vader naar Birma, de koempoelans ‘s-morgens en ‘s-avonds, het urenlange wachten en daarna buigen voor kampcommandant Soni. Ook weet ik dat je duizend angsten uitstond als je wegens ziekte niet bij de koempoelan aanwezig kon zijn, omdat de Japanners je zouden kunnen betrappen bij een controle. De herinnering aan de honger is iets dat, denk ik, bij mijn generatie sterk voortleeft in de zin dat je niet snel iets weggooit wat nog enigszins eetbaar is.

    Een kleine anekdote. Wij werden verplicht een soort volkstuintjes aan te leggen zogenaamd om wat groente te verbouwen. Ik was aangewezen mee te werken aan een tomatenbed. Groot was mijn teleurstelling toen op een kwade ochtend bleek dat alle zo goed als rijpe tomaten waren verdwenen.

    Ik verdacht mijn buurjongen van deze euvele daad en besloot tot retaliatie. Alleen, bij hem waren de tomaten nog onrijp en groen. Ik heb ze toch verorberd en heb dat moeten berouwen. Niet lang daarna voelde ik me doodziek worden en moest mijn moeder opbiechten wat ik had gedaan. “Jongen”, zei ze, “zo komt boontje altijd om zijn loontje”.

    Er wordt weer veel geschreven over de Japanse capitulatie. Natuurlijk is het verschrikkelijk wat er in Hiroshima en Nagasaki is gebeurd. Maar ik weet ook dat de oorlog niet veel langer had moeten duren of wij hadden dat kamp niet overleefd. En mijn vader zou zeker niet zijn teruggekeerd uit Birma en Siam. 15 Augustus is daarom een dag die voor mij een speciale betekenis heeft.

    De bevrijding, de terugkeer van mijn vader die ik uiteraard bij die eerste ontmoeting niet kende, de terugkeer in Nederland zijn evenzovele onuitwisbare herinneringen die ik graag met U hier vandaag deel. De ontvangst in Nederland kwam enigszins als een koude douche. En ik zeg dat niet vanwege het koude klimaat waarin ik terecht kwam. Het was moeilijk uit te leggen wat wij hadden ondergaan. Steevast kwam er als reactie dat bij ons in Indie in ieder geval het zonnetje had geschenen, terwijl zij in de hongerwinter kou hadden geleden. Kortom, al snel werd duidelijk dat niemand in Nederland zat te wachten op die uit Indië afkomstige groep Nederlanders. Je leerde dus al snel niet te veel te praten over wat je had meegemaakt, en juist wel met sympathie te luisteren naar de verhalen over de oorlog in Nederland, de Duitsers en de vernietigingskampen.

    Misschien is dat ook wel de reden waarom wij zo goed en snel in de Nederlandse samenleving wisten te integreren. Misschien daarom hebben we snel pleisters geplakt op al die wonden en gewoon de draad van ons leven weer opgepakt. En natuurlijk was er ook aanleiding om dankbaar te zijn. We hadden het immers overleefd en in ieder geval een nieuw thuis gevonden. Persoonlijk ben ik dus dankbaar dat ik hier voor u mag staan, dat ik zoals zo velen van u die periode goed heb doorstaan en heb laten zien dat je ook gesterkt uit zo’n beproeving te voorschijn kunt komen.

    (Levende geschiedenis)
    Zestig jaar, dames en heren. De afstand in tijd tussen het heden en de gebeurtenissen van toen wordt steeds groter. En brengt dit niet het risico van vergetelheid met zich mee, zoals de heer Boekholt dat twee jaar geleden bij deze gelegenheid schetste? Ik hoop en vertrouw erop dat dit niet zo zal zijn. Ik denk dat ook toekomstige generaties zich zullen blijven interesseren in het gemeenschappelijke verleden van Nederland en Indonesië. Ik denk dat onze jeugd die geschiedenis graag wil adopteren, zoals de scholieren van het Vrijzinnig Christelijk Lyceum het Indië-monument hebben geadopteerd en zoals vele andere scholen bijvoorbeeld militaire begraafplaatsen verzorgen. Maar om de geschiedenis met overtuiging te koesteren, moet in de ogen van onze jeugd het verleden en de kennis van dat verleden ook voor het heden en de toekomst relevant zijn.

    Winston Churchill zei het eens als volgt: hoe verder men terug kan kijken hoe verder men vooruit weet te zien. Inderdaad: historische kennis is geen overbodige luxe, maar een voorwaarde voor een heldere blik op de toekomst. En dat geldt zeker voor de relatie tussen Nederland en Indonesië. Wanneer Nederlanders op welke wijze dan ook in contact zullen komen met Indonesië en Indonesiërs, dan zullen zij iets moeten weten van de geschiedenis van dat land, en dus ook van eeuwen van gedeelde Indonesisch-Nederlandse geschiedenis. Nederlanders die zonder enige kennis van de geschiedenis in Indonesië succesvol zaken denken te kunnen doen, of diplomatie te bedrijven, komen meestal van een koude kermis thuis.

    Wanneer een samenleving de toekomst met optimisme en strijdbaarheid tegemoet wil treden moet zij wel bereid zijn ook over de minder fraaie kanten van de eigen geschiedenis eerlijk te zijn. Zeker in een tijd waarin wij in Nederland - op de werkvloer, in de sportkantine en op school - bruggen willen slaan tussen de diverse etnische en geloofsgemeenschappen in ons land. In de context van deze herdenking betekent dat dan dat wij durven toegeven dat ook na invoering van de zogeheten ethische politiek de belangen van de Indonesische bevolking voor de meeste Nederlanders op zijn best op de tweede plaats kwamen.

    Werken aan een gemeenschappelijke toekomst. Dat moet niet alleen binnen onze samenleving het adagium zijn, maar ook in de relatie tussen Nederland en Indonesië. De uitdagingen die wij gezamenlijk ter hand moeten nemen zijn legio, zoals de strijd tegen intolerantie, extremisme en terrorisme.

    Indonesië is belangrijk. Het is een drijvende kracht achter regionale samenwerking in Zuid-Oost Azië. Indonesië herbergt als seculiere staat meer moslims dan welk land ook ter wereld, maar is tevens hoeder van eeuwenoude, boeddhistische, hindoeïstische en christelijke tradities. Als zodanig heeft Indonesië recht van spreken in de dialoog der culturen. Tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie vorig jaar, hebben wij dan ook veel aandacht besteed aan intensivering van de betrekkingen met Indonesië.

    (Boodschap aan Jakarta)
    Dames en heren, om de relatie tussen Indonesië en Nederland verder te intensiveren is het behulpzaam om wat er nog resteert aan oud zeer weg te nemen, althans voor zover wij dat als Nederlanders in onze macht hebben. Daarom zal ik als vertegenwoordiger van ons land en als vertegenwoordiger van de generatie die de pijn van de scheiding heeft ondervonden, nog vandaag het vliegtuig nemen, die vijf tijdzones doorkruisen en 28000 kilometer afleggen. Op 17 augustus zal ik dan ons land vertegenwoordigen bij de Indonesische herdenking van de op 17 augustus 1945 uitgeroepen onafhankelijkheid. Ik zal aan het Indonesische volk uitleggen dat mijn aanwezigheid mag worden gezien als een politieke en morele aanvaarding van die datum.

    Maar waar het nu in de eerste plaats om gaat is dat wij de Indonesiërs eindelijk klare wijn schenken. Al decennialang zijn Nederlandse vertegenwoordigers op 17 augustus aanwezig bij vieringen van de Indonesische onafhankelijkheid. Ik zal met steun van het Kabinet aan de mensen in Indonesië duidelijk maken dat in Nederland het besef bestaat dat de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië de facto al begon op 17 augustus 1945 en dat wij – zestig jaar na dato - dit feit in politieke en morele zin ruimhartig aanvaarden.

    Aanvaarding in morele zin betekent ook dat ik mij zal aansluiten bij eerdere spijtbetuigingen over de pijnlijke en gewelddadige scheiding der wegen van Indonesië en Nederland. Bijna zesduizend Nederlandse militairen lieten in die strijd het leven, velen verloren ledematen, of werden slachtoffer van psychische trauma’s, waarvoor, opnieuw, in Nederland maar weinig aandacht bestond.

    Door de grootschalige inzet van militaire middelen kwam ons land als het ware aan de verkeerde kant van de geschiedenis te staan. Dit is buitengewoon wrang voor alle betrokkenen: voor de Nederlands-Indische gemeenschap, voor de Nederlandse militairen, maar in de eerste plaats voor de Indonesische bevolking zelf.

    Dames en heren, pas wanneer men op de top van de berg staat kan men zien wat de eenvoudigste en kortste weg naar boven zou zijn geweest. Zoiets geldt ook voor diegenen die betrokken waren bij de besluiten die in de jaren veertig werden genomen.

    Pas achteraf is te zien dat de scheiding tussen Indonesië en Nederland langer heeft geduurd en met meer militair geweld gepaard is gegaan dan nodig was geweest.

    Dit is de boodschap die ik mee zal nemen naar Jakarta. Daarbij hoop ik vurig op het begrip en de steun van de Indische gemeenschap, de Molukse gemeenschap in Nederland en van de veteranen van de politionele acties.

    Immers, om ons gemeenschappelijke verleden levend te houden, hebben wij ook een gemeenschappelijke perspectief op de toekomst nodig. Samen werken aan een gezonde en veilige toekomst van onze samenleving, en aan goede betrekkingen met Indonesië, zal ons helpen ook de meest pijnlijke aspecten van ons verleden dragelijk te maken.

    Ik dank u voor uw aandacht.

    Bron:
    Ministerie van Buitenlandse Zaken


    Herdenkingstoespraak prof. dr. B. Smalhout
    Den Haag, 15 augustus 2004


    Foto: www.meervrijheid.be

    Vandaag is het precies 59 jaar geleden dat het keizerrijk Japan zich overgaf aan de geallieerden. Pas op die dag kwam er een einde aan de Tweede Wereldoorlog. Die was zo gruwelijk geweest dat tot op de dag van vandaag enige mensengeneraties nog steeds lijden aan de lichamelijke maar vooral ook geestelijke beschadigingen die ze tussen 1942 en 1945 hebben opgelopen.

    In ons land zijn er twee bevolkingsgroepen bij welke het verdriet nooit slijt. Dat is de relatief kleine groep Joodse burgers die de Holocaust heeft overleefd. Dat zijn er niet meer dan ± 30.000. Ruim 80% van onze Joodse bevolking is in de oorlog door de Duitsers vermoord.
    De tweede groep wordt gevormd door U, de Nederlandse oud-Indisch mensen. U hebt een belangrijk deel van Uw leven in ons voormalig Nederlands Oost Indië doorgebracht. Door vele progressieve media is U al bijna 60 jaar verweten meegewerkt te hebben aan een koloniaal systeem dat, in het licht van het hedendaagse denken, verwerpelijk zou zijn.
    Maar daarbij wordt vergeten dat de meesten van U het vroegere Indië liefhadden als hun tweede vaderland. Datgene wat Nederland daar in dat verre tropische eilandenrijk in 300 jaar tot stand heeft gebracht, mag nog steeds met ere vermeld worden. Nederland heeft in dat reusachtige land, dat meer dan 1/8 van de aardomtrek beslaat, de basis gelegd voor wat thans de republiek Indonesië is.

    Het is verbazingwekkend dat wij destijds dat grote gebied dat toen al ± 70 miljoen inwoners telde, bestuurden en tot ontwikkeling brachten met een betrekkelijk kleine groep in Indië werkende Nederlanders. Een groep die zelden groter was dan 300.000! Scholen werden opgericht, onderwijs werd gestimuleerd en ziekenhuizen werden gebouwd. Een uitstekend rechtssysteem werd geïntroduceerd, waarbij zeer goed rekening werd gehouden met specifiek Indische tradities, de zogenaamde 'Adat'.
    In Nederland waren aan de universiteiten leerstoelen voor onder meer Indisch recht, tropengeneeskunde, tropische landbouw en Indologie. Wetenschappers en artsen wisten in die enorme archipel ziekten als pokken, cholera, pest, tyfus, beri-beri, dysenterie, malaria en lepra te bestrijden. Ze redden daarmee miljoenen mensen het leven. Zelfs nu nog, bijna 60 jaar nadat Nederland Indonesië voorgoed heeft verlaten, berust de Indonesische wetgeving nog voor een groot deel op het werk van Nederlandse juristen. En vooraanstaande Indonesiërs zenden nog steeds hun kinderen voor een hogere opleiding naar Nederlandse universiteiten.

    Natuurlijk is in het licht van de hedendaagse opvattingen een koloniaal systeem niet meer te rechtvaardigen. Maar dat is iets wat men de Nederlanders die in Indië hebben gewerkt, nooit mag verwijten. Nog geen honderd jaar geleden had men daar immers geheel andere ideeën over. Evenwel hebben de naoorlogse links-progressieve opvattingen er toe geleid dat het begrip 'Nederlands-Indië' met een taboe beladen is. En dat is een van de oorzaken dat de Nederlands-Indische gemeenschap voortdurend wordt gefrustreerd. De ontvangst in Nederland bij Uw repatriëring na de oorlog was uiterst koel, bij het vijandige af. Voor talloze totaal berooide oud-Indië-gangers was er nauwelijks een menswaardige opvang. Na een jarenlang verblijf in Japanse kampen of na gruwelijke dwangarbeid in het hele Verre Oosten was er voor U geen geld, geen uitbetaling van achterstallig salaris, nauwelijks kleding, amper huisvesting en geen schadevergoeding van enige betekenis.

    Daarbij komt nog dat velen van U destijds niet alleen door de Japanners zijn geterroriseerd, maar na de bevrijding op 15 augustus 1945 ook nog eens door de zogenaamde 'vrijheidsstrijders', de pemoeda's van Soekarno. Dat was de beruchte bersiap-periode. De frustratie bleef. Omdat U als Indische gemeenschap een andere cultuur met U meedraagt. Verworvenheden zoals discipline, goede manieren, hoffelijkheid, beleefdheid, tradities, loyaliteit, respect voor en trouw aan het koningshuis vindt men duidelijk meer bij U dan bij Nederlanders die geen Indisch verleden hebben. Dit alles heeft geleid tot een gevoel niet altijd geaccepteerd te worden. Of in het ergste geval tot pure discriminatie. In ons sterk gedevalueerde onderwijs wordt niets meer verteld over 300 jaar Nederlands-Indische historie. Zelfs het woord 'Vaderlandse Geschiedenis' is in de ban gedaan. Dat was, volgens onze roze-rode onderwijsdeskundigen té nationalistisch, té autoritair en dus verwerpelijk.

    Uiterst frustrerend was ook dat de Indische gemeenschap meer dan 55 jaar heeft moeten wachten tot onze overheid toestemming gaf de 14e en 15e augustus tot officiële herdenkingsdagen te verklaren. Ditzelfde links politieke beleid is er mede de oorzaak van dat de oud-KNIL militairen nooit hun achterstallige wedde uit de jaren dat ze krijgsgevangen waren, uitbetaald hebben gekregen. En ook dat één van de grootste oorlogshelden, de KNIL-officier Jack Boer nooit in aanmerking is gekomen voor een passende militaire Willemsorde. In november 1945 bevrijdde hij uit de Werfstraatgevangenis te Soerabaja niet minder dan 2384 Nederlandse burgers die daar door Soekarno's pemoeda's waren opgesloten om massaal te worden vermoord. Jack Boer veroverde de zwaar bewaakte gevangenis met behulp van slechts 10 Brits-Indische Gurka's en één oude Stuarttank. Hij redde daarmee bijna tweeëneenhalf duizend Nederlandse burgers het leven. Jack Boer overleed in 1993, maar zijn weduwe leeft nog. Maar tot op heden kan er zelfs geen postuum eerbewijs voor hem af.

    Zo komt het dat velen van U niet meer in staat zijn hun ervaringen over te dragen aan hun kinderen en kleinkinderen. Die weten vaak nauwelijks waar het over gaat. Ze willen ook dikwijls niets horen. Ze vinden het gezeur over vroeger. Want Uw verhalen gaan over een tijd en een land die ze zich niet kunnen voorstellen, wegens een ernstig gebrek aan historisch inzicht. In mijn archief bevinden zich hartverscheurende brieven van oud-Indisch mensen die alleen al dààrdoor een gestoorde relatie hebben met hun nageslacht. Het gevolg is vaak dat die mensen hun verleden angstvallig gaan afsluiten en er nooit meer over willen praten. Datzelfde fenomeen ziet men bij Joodse mensen die de Holocaust hebben overleefd. Ze vinden hun ervaringen te vreselijk om te vertellen of ze zijn bang om toch niet geloofd te worden.

    Bovendien heerst hier in Nederland volkomen ten onrechte de gedachte dat men het verleden nu maar moet laten rusten. Dat men niet kan leven met wat voorbij is. Dat men alleen het oog gericht moet houden op de toekomst en de rest moet vergeten. Dat is het domste wat men kan doen. Want wij zijn allen producten van de historie. Men kan geen zinvolle toekomst opbouwen zonder weet te hebben van het verleden en daar lessen uit te trekken. Daarom is het doelbewust veronachtzamen, zoals dat al bijna 30 jaar gebeurt, van het vak geschiedenis op scholen, een misdaad ten opzichte van onze jongere generaties.
    Alleen door te weten wat er gebeurd is, kan men leren kritisch te denken. Bijvoorbeeld over het sociologische raadsel dat hoogontwikkelde cultuurvolken zoals de Duitsers en de Japanners in de oorlog tot zulk laag moreel niveau konden afdalen. Alleen als men hierover nadenkt, is het mogelijk om levensgevaarlijke politieke psychopaten in een vroeg stadium te ontmaskeren en daardoor grootschalige calamiteiten te voorkomen. Het door de staat moedwillig onderdrukken van die kennis doet vermoeden dat de overheid aanstuurt op een jong electoraat dat van toeten noch blazen weet. Dom gehouden mensen zijn immers ideaal voor ambitieuze politici met gevaarlijke ideeën.

    Daarom wil ik U op het hart drukken Uw ervaringen niet te verzwijgen. Vertel ze. Publiceer ze of schrijf ze gewoon op voor Uzelf, opdat ze niet verloren gaan. U mag gerust trots zijn op wat U heeft gedaan en wat U heeft overleefd. U bent een onmisbare hoeksteen in het gebouw van onze vaderlandse geschiedenis. Zoals alle overlevenden van zowel de Japanse als de Duitse terreur. Pas als wij die ervaringen verwerkt hebben en in ons zelfbewustzijn hebben gesublimeerd, kan er sprake zijn van wederzijdse benadering, begrip en misschien zelfs van een voorzichtige vorm van vergeving van onze vroegere vijanden. Het is het pijnlijke proces van het volwassen worden van volken en naties.

    Straks gaan we naar het Indisch monument. Daar zullen wij in eerbied denken aan degenen die niet de vreugde van de bevrijding op 15 augustus 1945 mochten beleven. Maar tevens moet U zich met trots realiseren dat U een onuitwisbaar deel van de Nederlandse historie bent. Een historie die weliswaar doordrenkt is van ellende en verdriet. Maar die het waard is om duizend maal opnieuw verteld te worden.

    Bron:
    www.sh15aug1945.nl


    Een donkere bladzijde uit de geschiedenis van 400 jaar betrekkingen Nederland-Japan
    (Japanese emperor in The Netherlands)

    Ervaringen van oorlogsgetroffenen tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indie 1942-1945

    Japanese version
    1 2 3 4
    A dark page in the 400 year history of relations between the Netherlands and Japan

    Inleiding

    Op 8 december 1941 vielen de Japanners onverwacht de Amerikaanse basis Pearl Harbor aan. Amerika en Nederland verklaarden Japan de oorlog. In maart 1942 landden de Japanners op Java en na drie maanden strijd moest Nederlands-Indie zich overgeven.
    Van de circa 350.000 Nederlanders werden eerst de mannen door de Japanners geïnterneerd in kampen en later hun vrouwen en kinderen. Het optreden van de Japanse bewakers kenmerkte zich vaak door wreed en gewelddadig gedrag. Vooral in het laatste jaar van de bezetting leden in de overvolle en onhygiënische kampen de geïnterneerden aan chronische ondervoeding, hongeroedeem, dysentrie en malaria. Vele duizenden zijn tengevolge hiervan gestorven.
    Hoewel het merendeel van de Indo-Europese mannen als krijgsgevangene geïnterneerd werd, konden vele Indo-Europese vrouwen en kinderen buiten het kamp blijven. Doordat het inkomen wegviel, raakten vele van deze gezinnen in moeilijkheden. Dwangarbeid, gedwongen prostitutie, martelingen, chronische ondervoeding en ziekten eisten hun tol. De Indonesiërs gedroegen zich in toenemende mate vijandig, wat uitliep op de zogenaamde Bersiap-periode (vrijheidsstrijd), die kwam na het beëindigen van de Japanse bezetting.
    Nadat Indonesië zelfstandig werd, vertrokken circa 300.000 Nederlanders, vaak min of meer noodgedwongen naar Nederland, een land dat zich moest herstellen van de oorlog met Duitsland. Zij lieten meer dan 42.000 doden achter.

    Een onderzoek

    Bij de Nederlanders die slachtoffer werden van de Japanse oorlog, blijkt het bezoek van de Japanse keizer aan Nederland zelfs na 55 jaar nog heftige emoties op te roepen. De Vereniging van Kinderen uit de Japanse Bezetting en de Bersiap 1941-1949 (KJBB) heeft met medewerking van de Provincie Noord-Holland aan dr. F.A. Begemann gevraagd een onderzoek te verrichten onder degenen die als kind in het voormalig Nederlands-Indie de oorlog hebben meegemaakt.
    Dertien leden van deze vereniging werden langdurig geïnterviewd. Een verslag van deze interviews werd op een vergadering van de KJBB op 25 maart 2000 aan 80 leden van deze vereniging voorgelegd. Door de aanwezigen werd het verslag uitgebreid besproken en van commentaar voorzien. Dit commentaar is verwerkt in het eindverslag, dat representatief kan worden geacht voor de meningen binnen de KJBB.
    Bij de interviews werd niet alleen gevraagd naar de standpunten over de komst van de keizer, maar ook naar de persoonlijke achtergronden. In dit verband werd ook uitvoerig over de oorlogservaringen gesproken.



    Wat hebben de kinderen van toen meegemaakt?

    AIle kinderen, of ze nu geïnterneerd waren of buiten het kamp konden blijven, hebben in de jaren van de Japanse bezetting honger gehad. Dat heeft bij velen niet alleen geleid tot lichamelijke ziekten, maar ook tot een aantasting van de psychische draagkracht. Dat verklaart voor een deel waarom zoveel van deze kinderen ook tientallen jaren later nog last hebben van hun traumatische ervaringen tijdens de Japanse bezetting.
    Behalve honger hebben de kinderen van toen ook veelvuldig geweld ondergaan. In de kampen en buiten de kampen werden ook kinderen geslagen en mishandeld. Vaak moesten kinderen toezien hoe anderen, bijvoorbeeld hun ouders, werden mishandeld.
    De meeste kinderen zijn tijdens de Japanse bezetting van een of beide ouders gescheiden. Bijna alle vaders werden geïnterneerd, ook van de Indo-Europese kinderen. Vaak viel ook de moeder weg - tijdelijk, door ziekte of ondervoeding; of voorgoed, als ze aan de gevolgen van de oorlog overleed. De scheiding van de ouders blijkt de ontwikkeling van de kinderen van toen vaak ernstig te hebben geschaad.
    Door de Japanse bezetting werden de kinderen losgerukt uit hun normale leven. Niet alleen werden ze van een of beide ouders gescheiden, maar daarnaast raakten ze meestal hun ouderlijk huis en ook de school en hun schoolvriendjes kwijt. Kinderen die geïnterneerd werden, moesten zich aanpassen aan geheel nieuwe leefomstandigheden. Ook buiten de kampen veranderde het leven ingrijpend, al was het alleen maar omdat voor de meeste gezinnen de geregelde inkomsten wegvielen.
    Zowel binnen als buiten het kamp moesten de kinderen overlevingsgedrag aanleren, bijvoorbeeld handel drijven of voedsel stelen. Onder oorlogsomstandigheden wordt er van kinderen vaak een aanpassing gevraagd, waartoe ze qua ontwikkeling nog lang niet in staat zijn. Dat heeft geleid tot zowel psychische als lichamelijke schade. Bij veel van deze kinderen zie je in hun latere leven blijvende klachten, zoals regelmatig terugkerende slapeloosheid, nachtmerries en angsten. Velen hebben als gevolg hiervan voortijdig hun beroep moeten opgeven.
    Na de capitulatie van Japan vond de gezinshereniging plaats, die vaak moeilijk is verlopen. De uit de internering terugkerende vaders konden met hun vrouwen, die zelf veel hadden meegemaakt, dikwijls niet over hun ervaringen praten. De kinderen merkten, dat hun ouders waren veranderd en dat de sfeer in huis was aangetast. Vaak bleken hun ouders niet in staat hun kinderen met het verwerken van hun oorlogservaringen te helpen.
    Na de Japanse capitulatie in augustus 1945 brak in het voormalige Nederlands-Indie de onafhankelijkheidsstrijd uit. Dit conflict eiste niet alleen veel slachtoffers, maar bracht ook een grote stroom vluchtelingen op gang. Aangezien Nederland tijdens de oorlog in Europa ernstig had geleden, verliep de opvang van de slachtoffers uit Indië moeizaam. Zij vonden nauwelijks gehoor voor hun ervaringen en problemen. Daardoor is deze groep in een maatschappelijk isolement beland, wat de klachten nog heeft verergerd.

    Wat denken de leden van de KJBB over de komst van de Japanse keizer?

    Hoewel er over de komst van de keizer ook binnen de KJBB verschillend wordt gedacht, is er op een punt consensus:

    Het is belangrijk dat keizer Akihito bij zijn bezoek aan Nederland aan de slachtoffers excuses aanbiedt voor wat hen tijdens de oorlog door Japan is aangedaan. De excuses worden van de keizer persoonlijk verlangd, omdat in naam van zijn vader Hirohito de gewelddadigheden zijn begaan.

    Waarom is dit voor de leden van de KJBB zo’n belangrijk punt? De argumenten blijken samen te hangen met het oorlogsverleden:
    1. Het vragen van excuses komt niet voort uit haatgevoelens, maar uit een behoefte aan rechtvaardigheid
      Waarom de slachtoffers excuses vragen, kan het beste worden toegelicht via een analogie. Een samenleving kan alleen bestaan op basis van een rechtsorde, die de maatschappelijke regels fundeert. Wie een misdrijf begaat, ontkent de rechtsorde en plaatst zich daarmee buiten de samenleving. Hij kan pas weer in de samenleving worden opgenomen, als hij erkent dat hij een misstap heeft begaan. Want door het aanbieden van excuses, wordt de rechtsorde opnieuw bevestigd.
      Mutatis mutandis geldt dit ook voor de keizer van Japan. Eigenlijk kunnen de slachtoffers van Japan de keizer alleen ontvangen, als hij toegeeft dat er in het verleden door Japan misstappen zijn begaan en als hij hiervoor zijn excuses aanbiedt.
      Er is nog een tweede reden waarom dit voor de slachtoffers van belang is. Het merendeel van hen heeft door de klachten hun werk voortijdig moeten onderbreken. Vaak heeft dat bij hen geleid tot schuld- en schaamtegevoelens. Want mensen die zich niet langer aan sociale verwachtingen kunnen conformeren, krijgen meestal last van schuldgevoelens, ook als zij zelf hiervoor geen verantwoordelijkheid dragen. Daarom is het belangrijk, dat expliciet wordt vastgesteld dat de klachten van de slachtoffers niet aan henzelf zijn te wijten, maar aan de agressie van Japan.
    2. De oorlog is nog geen verleden geworden
      De oorlog in Zuidoost Azië ligt meer dan vijftig jaar achter ons. Waarom is voor de slachtoffers dit verleden nog niet voorbij?
      Allereerst omdat zij nog steeds last hebben van hun traumatische herinneringen en de door de oorlog veroorzaakte klachten. Denk bijvoorbeeld aan een vrouw die niet kan slapen door rugklachten die ze aan het kamp heeft overgehouden: in haar leven is de oorlog nog heel concreet aanwezig.
      Het verleden blijft leven ook omdat veel slachtoffers Japan nog steeds ervaren als een vijandige en bedreigende natie. Door excuses aan te bieden, zou de keizer tot het verleden afstand nemen. Daarmee zou hij het ook voor de slachtoffers van Japan makkelijker maken om het verleden af te sluiten.
    3. Zingeving van het slachtofferschap
      In de levens van de slachtoffers van de oorlog met Japan is door het oorlogsgeweld van alles misgegaan. Hoe kan iemand met het verdriet hierover verder leven?
      Voor veel slachtoffers blijkt het belangrijk, om zin te kunnen geven aan hun slachtofferschap. Velen nemen daarbij een voorbeeld aan de joden, die niet alleen hun doden herdenken, maar ook waarschuwen tegen nieuwe vormen van fascisme. Vanuit een vergelijkbaar motief proberen veel slachtoffers van de oorlog in Zuidoost Azië de krachten binnen de Japanse samenleving te ondersteunen, die nieuwe Japanse agressie trachten te voorkomen.
      Vanuit dit perspectief is het essentieel, dat Japan erkent dat er in het verleden dingen zijn gebeurd die niet door de beugel kunnen. Excuses van de Japanse keizer betekenen, dat Japan van het verleden afstand neemt.
      Daarmee worden de pogingen van de slachtoffers om zin te geven aan hun oorlogservaringen ondersteund.
    4. Aandacht juist voor kinderen in de oorlog
      Nog steeds worden op veel plaatsen in de wereld gewapende conflicten uitgevochten. Daarbij worden ook veel kinderen slachtoffer. Dit is tragisch, want juist kinderen verdienen het om door volwassenen tegen geweld te worden beschermd.
      Daarom zou het een goede zaak zijn, als de keizer bij het aanbieden van excuses de kinderen van toen expliciet noemt. Het zou allereerst een erkenning betekenen van hen die de oorlog van toen als kind hebben meegemaakt. Maar daarnaast zou er aandacht gevraagd worden voor het lot van kinderen, die ook nu nog slachtoffer worden van oorlogsgeweld.
    Dit is een samenvatting van de publicatie:
    ‘Vanuit een behoefte aan rechtvaardigheid – Reacties binnen de KJBB op het voorgenomen bezoek van de keizer van Japan aan Nederland’
    NPI en KJBB, april 2000.