Geachte aanwezigen, dames en heren,
De Stichting Herdenking 15 augustus 1945 ben ik dankbaar voor de mogelijkheid vandaag de herdenkingstoespraak te houden. Dat is voor mij, als minister van buitenlandse zaken en vertegenwoordiger van de regering, een eervolle taak. Maar ik sta hier ook, net als velen van u, als een kind van Indië. Net als bij u roept deze herdenking bij mij gevoelens en emoties op, komen op deze dag zowel positieve als negatieve herinneringen boven aan Indonesië, 5 tijdzones en 14.000 kilometer van deze plek verwijderd, maar gevoelsmatig toch zo nabij. Het zijn herinneringen die je de rest van je leven meedraagt, maar een optimistische en toekomstgerichte levenshouding niet in de weg hoeven te staan. Immers, herdenken is, naast herinneren, ook vooruitzien.
Eerst het verleden: met de capitulatie van Japan, precies 60 jaar geleden, kwam ook een einde aan de Japanse bezetting van Nederlands Indië, een bezetting die zovelen van ons leed had berokkend. Wij gedenken de familieleden en vrienden die tijdens de Japanse bezetting het leven lieten of hebben geleden. Wij gedenken ook de talloze Indonesische dwangarbeiders, de Romusha’s, die vaak naamloos stierven.
Na de capitulatie was het leed, in tegenstelling tot wat toen vurig werd gehoopt, nog niet geleden. Meteen na de capitulatie ontstond een machtsvacuüm dat slechts geleidelijk kon worden opgevuld door de Britten. Tijdens deze zogeheten Bersiap-periode verloren vele duizenden onschuldige Nederlands-Indische en Indonesische burgers, veelal vrouwen en kinderen, het leven.
In de jaren daarna volgde een pijnlijke, langdurige en gewelddadige scheiding der wegen tussen Indonesië en Nederland. Voor wat betreft grote delen van de Nederlands-Indische gemeenschap spreken wij dus over vele jaren van fysiek en psychisch leed.
Zelf kijk ik met gemengde gevoelens terug op mijn kamptijd in Tjideng. Als kind word je misschien iets minder snel geraakt door het leed en de ontbering om je heen, vat je de dingen wat makkelijker op. Maar je wordt ook sneller volwassen. Een verblijf in het weeshuis, toen mijn moeder in het ziekenhuis werd opgenomen, maakte mij, zoals dat heet, vroeg “streetwise”.
Waarschijnlijk daarom staat die periode scherp in mijn geheugen geëtst. Ik herinner me nog levendig de internering, het vertrek van mijn vader naar Birma, de koempoelans ‘s-morgens en ‘s-avonds, het urenlange wachten en daarna buigen voor kampcommandant Soni. Ook weet ik dat je duizend angsten uitstond als je wegens ziekte niet bij de koempoelan aanwezig kon zijn, omdat de Japanners je zouden kunnen betrappen bij een controle. De herinnering aan de honger is iets dat, denk ik, bij mijn generatie sterk voortleeft in de zin dat je niet snel iets weggooit wat nog enigszins eetbaar is.
Een kleine anekdote. Wij werden verplicht een soort volkstuintjes aan te leggen zogenaamd om wat groente te verbouwen. Ik was aangewezen mee te werken aan een tomatenbed. Groot was mijn teleurstelling toen op een kwade ochtend bleek dat alle zo goed als rijpe tomaten waren verdwenen.
Ik verdacht mijn buurjongen van deze euvele daad en besloot tot retaliatie. Alleen, bij hem waren de tomaten nog onrijp en groen. Ik heb ze toch verorberd en heb dat moeten berouwen. Niet lang daarna voelde ik me doodziek worden en moest mijn moeder opbiechten wat ik had gedaan. “Jongen”, zei ze, “zo komt boontje altijd om zijn loontje”.
Er wordt weer veel geschreven over de Japanse capitulatie. Natuurlijk is het verschrikkelijk wat er in Hiroshima en Nagasaki is gebeurd. Maar ik weet ook dat de oorlog niet veel langer had moeten duren of wij hadden dat kamp niet overleefd. En mijn vader zou zeker niet zijn teruggekeerd uit Birma en Siam. 15 Augustus is daarom een dag die voor mij een speciale betekenis heeft.
De bevrijding, de terugkeer van mijn vader die ik uiteraard bij die eerste ontmoeting niet kende, de terugkeer in Nederland zijn evenzovele onuitwisbare herinneringen die ik graag met U hier vandaag deel. De ontvangst in Nederland kwam enigszins als een koude douche. En ik zeg dat niet vanwege het koude klimaat waarin ik terecht kwam. Het was moeilijk uit te leggen wat wij hadden ondergaan. Steevast kwam er als reactie dat bij ons in Indie in ieder geval het zonnetje had geschenen, terwijl zij in de hongerwinter kou hadden geleden. Kortom, al snel werd duidelijk dat niemand in Nederland zat te wachten op die uit Indië afkomstige groep Nederlanders. Je leerde dus al snel niet te veel te praten over wat je had meegemaakt, en juist wel met sympathie te luisteren naar de verhalen over de oorlog in Nederland, de Duitsers en de vernietigingskampen.
Misschien is dat ook wel de reden waarom wij zo goed en snel in de Nederlandse samenleving wisten te integreren. Misschien daarom hebben we snel pleisters geplakt op al die wonden en gewoon de draad van ons leven weer opgepakt. En natuurlijk was er ook aanleiding om dankbaar te zijn. We hadden het immers overleefd en in ieder geval een nieuw thuis gevonden. Persoonlijk ben ik dus dankbaar dat ik hier voor u mag staan, dat ik zoals zo velen van u die periode goed heb doorstaan en heb laten zien dat je ook gesterkt uit zo’n beproeving te voorschijn kunt komen.
(Levende geschiedenis)
Zestig jaar, dames en heren. De afstand in tijd tussen het heden en de gebeurtenissen van toen wordt steeds groter. En brengt dit niet het risico van vergetelheid met zich mee, zoals de heer Boekholt dat twee jaar geleden bij deze gelegenheid schetste? Ik hoop en vertrouw erop dat dit niet zo zal zijn. Ik denk dat ook toekomstige generaties zich zullen blijven interesseren in het gemeenschappelijke verleden van Nederland en Indonesië. Ik denk dat onze jeugd die geschiedenis graag wil adopteren, zoals de scholieren van het Vrijzinnig Christelijk Lyceum het Indië-monument hebben geadopteerd en zoals vele andere scholen bijvoorbeeld militaire begraafplaatsen verzorgen. Maar om de geschiedenis met overtuiging te koesteren, moet in de ogen van onze jeugd het verleden en de kennis van dat verleden ook voor het heden en de toekomst relevant zijn.
Winston Churchill zei het eens als volgt: hoe verder men terug kan kijken hoe verder men vooruit weet te zien. Inderdaad: historische kennis is geen overbodige luxe, maar een voorwaarde voor een heldere blik op de toekomst. En dat geldt zeker voor de relatie tussen Nederland en Indonesië. Wanneer Nederlanders op welke wijze dan ook in contact zullen komen met Indonesië en Indonesiërs, dan zullen zij iets moeten weten van de geschiedenis van dat land, en dus ook van eeuwen van gedeelde Indonesisch-Nederlandse geschiedenis. Nederlanders die zonder enige kennis van de geschiedenis in Indonesië succesvol zaken denken te kunnen doen, of diplomatie te bedrijven, komen meestal van een koude kermis thuis.
Wanneer een samenleving de toekomst met optimisme en strijdbaarheid tegemoet wil treden moet zij wel bereid zijn ook over de minder fraaie kanten van de eigen geschiedenis eerlijk te zijn. Zeker in een tijd waarin wij in Nederland - op de werkvloer, in de sportkantine en op school - bruggen willen slaan tussen de diverse etnische en geloofsgemeenschappen in ons land. In de context van deze herdenking betekent dat dan dat wij durven toegeven dat ook na invoering van de zogeheten ethische politiek de belangen van de Indonesische bevolking voor de meeste Nederlanders op zijn best op de tweede plaats kwamen.
Werken aan een gemeenschappelijke toekomst. Dat moet niet alleen binnen onze samenleving het adagium zijn, maar ook in de relatie tussen Nederland en Indonesië. De uitdagingen die wij gezamenlijk ter hand moeten nemen zijn legio, zoals de strijd tegen intolerantie, extremisme en terrorisme.
Indonesië is belangrijk. Het is een drijvende kracht achter regionale samenwerking in Zuid-Oost Azië. Indonesië herbergt als seculiere staat meer moslims dan welk land ook ter wereld, maar is tevens hoeder van eeuwenoude, boeddhistische, hindoeïstische en christelijke tradities. Als zodanig heeft Indonesië recht van spreken in de dialoog der culturen. Tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie vorig jaar, hebben wij dan ook veel aandacht besteed aan intensivering van de betrekkingen met Indonesië.
(Boodschap aan Jakarta)
Dames en heren, om de relatie tussen Indonesië en Nederland verder te intensiveren is het behulpzaam om wat er nog resteert aan oud zeer weg te nemen, althans voor zover wij dat als Nederlanders in onze macht hebben. Daarom zal ik als vertegenwoordiger van ons land en als vertegenwoordiger van de generatie die de pijn van de scheiding heeft ondervonden, nog vandaag het vliegtuig nemen, die vijf tijdzones doorkruisen en 28000 kilometer afleggen. Op 17 augustus zal ik dan ons land vertegenwoordigen bij de Indonesische herdenking van de op 17 augustus 1945 uitgeroepen onafhankelijkheid. Ik zal aan het Indonesische volk uitleggen dat mijn aanwezigheid mag worden gezien als een politieke en morele aanvaarding van die datum.
Maar waar het nu in de eerste plaats om gaat is dat wij de Indonesiërs eindelijk klare wijn schenken. Al decennialang zijn Nederlandse vertegenwoordigers op 17 augustus aanwezig bij vieringen van de Indonesische onafhankelijkheid. Ik zal met steun van het Kabinet aan de mensen in Indonesië duidelijk maken dat in Nederland het besef bestaat dat de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië de facto al begon op 17 augustus 1945 en dat wij – zestig jaar na dato - dit feit in politieke en morele zin ruimhartig aanvaarden.
Aanvaarding in morele zin betekent ook dat ik mij zal aansluiten bij eerdere spijtbetuigingen over de pijnlijke en gewelddadige scheiding der wegen van Indonesië en Nederland. Bijna zesduizend Nederlandse militairen lieten in die strijd het leven, velen verloren ledematen, of werden slachtoffer van psychische trauma’s, waarvoor, opnieuw, in Nederland maar weinig aandacht bestond.
Door de grootschalige inzet van militaire middelen kwam ons land als het ware aan de verkeerde kant van de geschiedenis te staan. Dit is buitengewoon wrang voor alle betrokkenen: voor de Nederlands-Indische gemeenschap, voor de Nederlandse militairen, maar in de eerste plaats voor de Indonesische bevolking zelf.
Dames en heren, pas wanneer men op de top van de berg staat kan men zien wat de eenvoudigste en kortste weg naar boven zou zijn geweest. Zoiets geldt ook voor diegenen die betrokken waren bij de besluiten die in de jaren veertig werden genomen.
Pas achteraf is te zien dat de scheiding tussen Indonesië en Nederland langer heeft geduurd en met meer militair geweld gepaard is gegaan dan nodig was geweest.
Dit is de boodschap die ik mee zal nemen naar Jakarta. Daarbij hoop ik vurig op het begrip en de steun van de Indische gemeenschap, de Molukse gemeenschap in Nederland en van de veteranen van de politionele acties.
Immers, om ons gemeenschappelijke verleden levend te houden, hebben wij ook een gemeenschappelijke perspectief op de toekomst nodig. Samen werken aan een gezonde en veilige toekomst van onze samenleving, en aan goede betrekkingen met Indonesië, zal ons helpen ook de meest pijnlijke aspecten van ons verleden dragelijk te maken.
Ik dank u voor uw aandacht.
Bron: Ministerie van Buitenlandse Zaken
Herdenkingstoespraak prof. dr. B. Smalhout
Den Haag, 15 augustus 2004

Foto: www.meervrijheid.be
Vandaag is het precies 59 jaar geleden dat het keizerrijk Japan zich overgaf aan de geallieerden. Pas op die dag kwam er een einde aan de Tweede Wereldoorlog. Die was zo gruwelijk geweest dat tot op de dag van vandaag enige mensengeneraties nog steeds lijden aan de lichamelijke maar vooral ook geestelijke beschadigingen die ze tussen 1942 en 1945 hebben opgelopen.
In ons land zijn er twee bevolkingsgroepen bij welke het verdriet nooit slijt. Dat is de relatief kleine groep Joodse burgers die de Holocaust heeft overleefd. Dat zijn er niet meer dan ± 30.000. Ruim 80% van onze Joodse bevolking is in de oorlog door de Duitsers vermoord.
De tweede groep wordt gevormd door U, de Nederlandse oud-Indisch mensen. U hebt een belangrijk deel van Uw leven in ons voormalig Nederlands Oost Indië doorgebracht. Door vele progressieve media is U al bijna 60 jaar verweten meegewerkt te hebben aan een koloniaal systeem dat, in het licht van het hedendaagse denken, verwerpelijk zou zijn.
Maar daarbij wordt vergeten dat de meesten van U het vroegere Indië liefhadden als hun tweede vaderland. Datgene wat Nederland daar in dat verre tropische eilandenrijk in 300 jaar tot stand heeft gebracht, mag nog steeds met ere vermeld worden. Nederland heeft in dat reusachtige land, dat meer dan 1/8 van de aardomtrek beslaat, de basis gelegd voor wat thans de republiek Indonesië is.
Het is verbazingwekkend dat wij destijds dat grote gebied dat toen al ± 70 miljoen inwoners telde, bestuurden en tot ontwikkeling brachten met een betrekkelijk kleine groep in Indië werkende Nederlanders. Een groep die zelden groter was dan 300.000! Scholen werden opgericht, onderwijs werd gestimuleerd en ziekenhuizen werden gebouwd. Een uitstekend rechtssysteem werd geïntroduceerd, waarbij zeer goed rekening werd gehouden met specifiek Indische tradities, de zogenaamde 'Adat'.
In Nederland waren aan de universiteiten leerstoelen voor onder meer Indisch recht, tropengeneeskunde, tropische landbouw en Indologie. Wetenschappers en artsen wisten in die enorme archipel ziekten als pokken, cholera, pest, tyfus, beri-beri, dysenterie, malaria en lepra te bestrijden. Ze redden daarmee miljoenen mensen het leven. Zelfs nu nog, bijna 60 jaar nadat Nederland Indonesië voorgoed heeft verlaten, berust de Indonesische wetgeving nog voor een groot deel op het werk van Nederlandse juristen. En vooraanstaande Indonesiërs zenden nog steeds hun kinderen voor een hogere opleiding naar Nederlandse universiteiten.
Natuurlijk is in het licht van de hedendaagse opvattingen een koloniaal systeem niet meer te rechtvaardigen. Maar dat is iets wat men de Nederlanders die in Indië hebben gewerkt, nooit mag verwijten. Nog geen honderd jaar geleden had men daar immers geheel andere ideeën over. Evenwel hebben de naoorlogse links-progressieve opvattingen er toe geleid dat het begrip 'Nederlands-Indië' met een taboe beladen is. En dat is een van de oorzaken dat de Nederlands-Indische gemeenschap voortdurend wordt gefrustreerd. De ontvangst in Nederland bij Uw repatriëring na de oorlog was uiterst koel, bij het vijandige af. Voor talloze totaal berooide oud-Indië-gangers was er nauwelijks een menswaardige opvang. Na een jarenlang verblijf in Japanse kampen of na gruwelijke dwangarbeid in het hele Verre Oosten was er voor U geen geld, geen uitbetaling van achterstallig salaris, nauwelijks kleding, amper huisvesting en geen schadevergoeding van enige betekenis.
Daarbij komt nog dat velen van U destijds niet alleen door de Japanners zijn geterroriseerd, maar na de bevrijding op 15 augustus 1945 ook nog eens door de zogenaamde 'vrijheidsstrijders', de pemoeda's van Soekarno. Dat was de beruchte bersiap-periode. De frustratie bleef. Omdat U als Indische gemeenschap een andere cultuur met U meedraagt. Verworvenheden zoals discipline, goede manieren, hoffelijkheid, beleefdheid, tradities, loyaliteit, respect voor en trouw aan het koningshuis vindt men duidelijk meer bij U dan bij Nederlanders die geen Indisch verleden hebben. Dit alles heeft geleid tot een gevoel niet altijd geaccepteerd te worden. Of in het ergste geval tot pure discriminatie. In ons sterk gedevalueerde onderwijs wordt niets meer verteld over 300 jaar Nederlands-Indische historie. Zelfs het woord 'Vaderlandse Geschiedenis' is in de ban gedaan. Dat was, volgens onze roze-rode onderwijsdeskundigen té nationalistisch, té autoritair en dus verwerpelijk.
Uiterst frustrerend was ook dat de Indische gemeenschap meer dan 55 jaar heeft moeten wachten tot onze overheid toestemming gaf de 14e en 15e augustus tot officiële herdenkingsdagen te verklaren. Ditzelfde links politieke beleid is er mede de oorzaak van dat de oud-KNIL militairen nooit hun achterstallige wedde uit de jaren dat ze krijgsgevangen waren, uitbetaald hebben gekregen.
En ook dat één van de grootste oorlogshelden, de KNIL-officier Jack Boer nooit in aanmerking is gekomen voor een passende militaire Willemsorde. In november 1945 bevrijdde hij uit de Werfstraatgevangenis te Soerabaja niet minder dan 2384 Nederlandse burgers die daar door Soekarno's pemoeda's waren opgesloten om massaal te worden vermoord. Jack Boer veroverde de zwaar bewaakte gevangenis met behulp van slechts 10 Brits-Indische Gurka's en één oude Stuarttank. Hij redde daarmee bijna tweeëneenhalf duizend Nederlandse burgers het leven. Jack Boer overleed in 1993, maar zijn weduwe leeft nog. Maar tot op heden kan er zelfs geen postuum eerbewijs voor hem af.
Zo komt het dat velen van U niet meer in staat zijn hun ervaringen over te dragen aan hun kinderen en kleinkinderen. Die weten vaak nauwelijks waar het over gaat. Ze willen ook dikwijls niets horen. Ze vinden het gezeur over vroeger. Want Uw verhalen gaan over een tijd en een land die ze zich niet kunnen voorstellen, wegens een ernstig gebrek aan historisch inzicht. In mijn archief bevinden zich hartverscheurende brieven van oud-Indisch mensen die alleen al dààrdoor een gestoorde relatie hebben met hun nageslacht. Het gevolg is vaak dat die mensen hun verleden angstvallig gaan afsluiten en er nooit meer over willen praten. Datzelfde fenomeen ziet men bij Joodse mensen die de Holocaust hebben overleefd. Ze vinden hun ervaringen te vreselijk om te vertellen of ze zijn bang om toch niet geloofd te worden.
Bovendien heerst hier in Nederland volkomen ten onrechte de gedachte dat men het verleden nu maar moet laten rusten. Dat men niet kan leven met wat voorbij is. Dat men alleen het oog gericht moet houden op de toekomst en de rest moet vergeten. Dat is het domste wat men kan doen. Want wij zijn allen producten van de historie. Men kan geen zinvolle toekomst opbouwen zonder weet te hebben van het verleden en daar lessen uit te trekken. Daarom is het doelbewust veronachtzamen, zoals dat al bijna 30 jaar gebeurt, van het vak geschiedenis op scholen, een misdaad ten opzichte van onze jongere generaties.
Alleen door te weten wat er gebeurd is, kan men leren kritisch te denken. Bijvoorbeeld over het sociologische raadsel dat hoogontwikkelde cultuurvolken zoals de Duitsers en de Japanners in de oorlog tot zulk laag moreel niveau konden afdalen. Alleen als men hierover nadenkt, is het mogelijk om levensgevaarlijke politieke psychopaten in een vroeg stadium te ontmaskeren en daardoor grootschalige calamiteiten te voorkomen. Het door de staat moedwillig onderdrukken van die kennis doet vermoeden dat de overheid aanstuurt op een jong electoraat dat van toeten noch blazen weet. Dom gehouden mensen zijn immers ideaal voor ambitieuze politici met gevaarlijke ideeën.
Daarom wil ik U op het hart drukken Uw ervaringen niet te verzwijgen. Vertel ze. Publiceer ze of schrijf ze gewoon op voor Uzelf, opdat ze niet verloren gaan. U mag gerust trots zijn op wat U heeft gedaan en wat U heeft overleefd. U bent een onmisbare hoeksteen in het gebouw van onze vaderlandse geschiedenis. Zoals alle overlevenden van zowel de Japanse als de Duitse terreur. Pas als wij die ervaringen verwerkt hebben en in ons zelfbewustzijn hebben gesublimeerd, kan er sprake zijn van wederzijdse benadering, begrip en misschien zelfs van een voorzichtige vorm van vergeving van onze vroegere vijanden. Het is het pijnlijke proces van het volwassen worden van volken en naties.
Straks gaan we naar het Indisch monument. Daar zullen wij in eerbied denken aan degenen die niet de vreugde van de bevrijding op 15 augustus 1945 mochten beleven. Maar tevens moet U zich met trots realiseren dat U een onuitwisbaar deel van de Nederlandse historie bent. Een historie die weliswaar doordrenkt is van ellende en verdriet. Maar die het waard is om duizend maal opnieuw verteld te worden.
Bron: www.sh15aug1945.nl
|
Een donkere bladzijde uit de geschiedenis van 400 jaar betrekkingen Nederland-Japan
(Japanese emperor in The Netherlands)
Ervaringen van oorlogsgetroffenen tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indie 1942-1945
Japanese version 1 2 3 4
A dark page in the 400 year history of relations between the Netherlands and Japan
Inleiding
Op 8 december 1941 vielen de Japanners onverwacht de Amerikaanse basis Pearl Harbor aan. Amerika en Nederland verklaarden Japan de oorlog. In maart 1942 landden de Japanners op Java en na drie maanden strijd moest Nederlands-Indie zich overgeven.
Van de circa 350.000 Nederlanders werden eerst de mannen door de Japanners geïnterneerd in kampen en later hun vrouwen en kinderen. Het optreden van de Japanse bewakers kenmerkte zich vaak door wreed en gewelddadig gedrag. Vooral in het laatste jaar van de bezetting leden in de overvolle en onhygiënische kampen de geïnterneerden aan chronische ondervoeding, hongeroedeem, dysentrie en malaria. Vele duizenden zijn tengevolge hiervan gestorven.
Hoewel het merendeel van de Indo-Europese mannen als krijgsgevangene geïnterneerd werd, konden vele Indo-Europese vrouwen en kinderen buiten het kamp blijven. Doordat het inkomen wegviel, raakten vele van deze gezinnen in moeilijkheden. Dwangarbeid, gedwongen prostitutie, martelingen, chronische ondervoeding en ziekten eisten hun tol. De Indonesiërs gedroegen zich in toenemende mate vijandig, wat uitliep op de zogenaamde Bersiap-periode (vrijheidsstrijd), die kwam na het beëindigen van de Japanse bezetting.
Nadat Indonesië zelfstandig werd, vertrokken circa 300.000 Nederlanders, vaak min of meer noodgedwongen naar Nederland, een land dat zich moest herstellen van de oorlog met Duitsland. Zij lieten meer dan 42.000 doden achter.
Een onderzoek
Bij de Nederlanders die slachtoffer werden van de Japanse oorlog, blijkt het bezoek van de Japanse keizer aan Nederland zelfs na 55 jaar nog heftige emoties op te roepen. De Vereniging van Kinderen uit de Japanse Bezetting en de Bersiap 1941-1949 (KJBB) heeft met medewerking van de Provincie Noord-Holland aan dr. F.A. Begemann gevraagd een onderzoek te verrichten onder degenen die als kind in het voormalig Nederlands-Indie de oorlog hebben meegemaakt.
Dertien leden van deze vereniging werden langdurig geïnterviewd. Een verslag van deze interviews werd op een vergadering van de KJBB op 25 maart 2000 aan 80 leden van deze vereniging voorgelegd. Door de aanwezigen werd het verslag uitgebreid besproken en van commentaar voorzien. Dit commentaar is verwerkt in het eindverslag, dat representatief kan worden geacht voor de meningen binnen de KJBB.
Bij de interviews werd niet alleen gevraagd naar de standpunten over de komst van de keizer, maar ook naar de persoonlijke achtergronden. In dit verband werd ook uitvoerig over de oorlogservaringen gesproken.

Wat hebben de kinderen van toen meegemaakt?
AIle kinderen, of ze nu geïnterneerd waren of buiten het kamp konden blijven, hebben in de jaren van de Japanse bezetting honger gehad. Dat heeft bij velen niet alleen geleid tot lichamelijke ziekten, maar ook tot een aantasting van de psychische draagkracht. Dat verklaart voor een deel waarom zoveel van deze kinderen ook tientallen jaren later nog last hebben van hun traumatische ervaringen tijdens de Japanse bezetting.
Behalve honger hebben de kinderen van toen ook veelvuldig geweld ondergaan. In de kampen en buiten de kampen werden ook kinderen geslagen en mishandeld. Vaak moesten kinderen toezien hoe anderen, bijvoorbeeld hun ouders, werden mishandeld.
De meeste kinderen zijn tijdens de Japanse bezetting van een of beide ouders gescheiden. Bijna alle vaders werden geïnterneerd, ook van de Indo-Europese kinderen. Vaak viel ook de moeder weg - tijdelijk, door ziekte of ondervoeding; of voorgoed, als ze aan de gevolgen van de oorlog overleed. De scheiding van de ouders blijkt de ontwikkeling van de kinderen van toen vaak ernstig te hebben geschaad.
Door de Japanse bezetting werden de kinderen losgerukt uit hun normale leven. Niet alleen werden ze van een of beide ouders gescheiden, maar daarnaast raakten ze meestal hun ouderlijk huis en ook de school en hun schoolvriendjes kwijt. Kinderen die geïnterneerd werden, moesten zich aanpassen aan geheel nieuwe leefomstandigheden. Ook buiten de kampen veranderde het leven ingrijpend, al was het alleen maar omdat voor de meeste gezinnen de geregelde inkomsten wegvielen.
Zowel binnen als buiten het kamp moesten de kinderen overlevingsgedrag aanleren, bijvoorbeeld handel drijven of voedsel stelen. Onder oorlogsomstandigheden wordt er van kinderen vaak een aanpassing gevraagd, waartoe ze qua ontwikkeling nog lang niet in staat zijn. Dat heeft geleid tot zowel psychische als lichamelijke schade. Bij veel van deze kinderen zie je in hun latere leven blijvende klachten, zoals regelmatig terugkerende slapeloosheid, nachtmerries en angsten. Velen hebben als gevolg hiervan voortijdig hun beroep moeten opgeven.
Na de capitulatie van Japan vond de gezinshereniging plaats, die vaak moeilijk is verlopen. De uit de internering terugkerende vaders konden met hun vrouwen, die zelf veel hadden meegemaakt, dikwijls niet over hun ervaringen praten. De kinderen merkten, dat hun ouders waren veranderd en dat de sfeer in huis was aangetast. Vaak bleken hun ouders niet in staat hun kinderen met het verwerken van hun oorlogservaringen te helpen.
Na de Japanse capitulatie in augustus 1945 brak in het voormalige Nederlands-Indie de onafhankelijkheidsstrijd uit. Dit conflict eiste niet alleen veel slachtoffers, maar bracht ook een grote stroom vluchtelingen op gang. Aangezien Nederland tijdens de oorlog in Europa ernstig had geleden, verliep de opvang van de slachtoffers uit Indië moeizaam. Zij vonden nauwelijks gehoor voor hun ervaringen en problemen. Daardoor is deze groep in een maatschappelijk isolement beland, wat de klachten nog heeft verergerd.
Wat denken de leden van de KJBB over de komst van de Japanse keizer?
Hoewel er over de komst van de keizer ook binnen de KJBB verschillend wordt gedacht, is er op een punt consensus:
Het is belangrijk dat keizer Akihito bij zijn bezoek aan Nederland aan de slachtoffers excuses aanbiedt voor wat hen tijdens de oorlog door Japan is aangedaan. De excuses worden van de keizer persoonlijk verlangd, omdat in naam van zijn vader Hirohito de gewelddadigheden zijn begaan.
Waarom is dit voor de leden van de KJBB zo’n belangrijk punt? De argumenten blijken samen te hangen met het oorlogsverleden:
- Het vragen van excuses komt niet voort uit haatgevoelens, maar uit een behoefte aan rechtvaardigheid
Waarom de slachtoffers excuses vragen, kan het beste worden toegelicht via een analogie. Een samenleving kan alleen bestaan op basis van een rechtsorde, die de maatschappelijke regels fundeert. Wie een misdrijf begaat, ontkent de rechtsorde en plaatst zich daarmee buiten de samenleving. Hij kan pas weer in de samenleving worden opgenomen, als hij erkent dat hij een misstap heeft begaan. Want door het aanbieden van excuses, wordt de rechtsorde opnieuw bevestigd.
Mutatis mutandis geldt dit ook voor de keizer van Japan. Eigenlijk kunnen de slachtoffers van Japan de keizer alleen ontvangen, als hij toegeeft dat er in het verleden door Japan misstappen zijn begaan en als hij hiervoor zijn excuses aanbiedt.
Er is nog een tweede reden waarom dit voor de slachtoffers van belang is. Het merendeel van hen heeft door de klachten hun werk voortijdig moeten onderbreken. Vaak heeft dat bij hen geleid tot schuld- en schaamtegevoelens. Want mensen die zich niet langer aan sociale verwachtingen kunnen conformeren, krijgen meestal last van schuldgevoelens, ook als zij zelf hiervoor geen verantwoordelijkheid dragen. Daarom is het belangrijk, dat expliciet wordt vastgesteld dat de klachten van de slachtoffers niet aan henzelf zijn te wijten, maar aan de agressie van Japan.
- De oorlog is nog geen verleden geworden
De oorlog in Zuidoost Azië ligt meer dan vijftig jaar achter ons. Waarom is voor de slachtoffers dit verleden nog niet voorbij?
Allereerst omdat zij nog steeds last hebben van hun traumatische herinneringen en de door de oorlog veroorzaakte klachten. Denk bijvoorbeeld aan een vrouw die niet kan slapen door rugklachten die ze aan het kamp heeft overgehouden: in haar leven is de oorlog nog heel concreet aanwezig.
Het verleden blijft leven ook omdat veel slachtoffers Japan nog steeds ervaren als een vijandige en bedreigende natie. Door excuses aan te bieden, zou de keizer tot het verleden afstand nemen. Daarmee zou hij het ook voor de slachtoffers van Japan makkelijker maken om het verleden af te sluiten.
- Zingeving van het slachtofferschap
In de levens van de slachtoffers van de oorlog met Japan is door het oorlogsgeweld van alles misgegaan. Hoe kan iemand met het verdriet hierover verder leven?
Voor veel slachtoffers blijkt het belangrijk, om zin te kunnen geven aan hun slachtofferschap. Velen nemen daarbij een voorbeeld aan de joden, die niet alleen hun doden herdenken, maar ook waarschuwen tegen nieuwe vormen van fascisme. Vanuit een vergelijkbaar motief proberen veel slachtoffers van de oorlog in Zuidoost Azië de krachten binnen de Japanse samenleving te ondersteunen, die nieuwe Japanse agressie trachten te voorkomen.
Vanuit dit perspectief is het essentieel, dat Japan erkent dat er in het verleden dingen zijn gebeurd die niet door de beugel kunnen. Excuses van de Japanse keizer betekenen, dat Japan van het verleden afstand neemt.
Daarmee worden de pogingen van de slachtoffers om zin te geven aan hun oorlogservaringen ondersteund.
- Aandacht juist voor kinderen in de oorlog
Nog steeds worden op veel plaatsen in de wereld gewapende conflicten uitgevochten. Daarbij worden ook veel kinderen slachtoffer. Dit is tragisch, want juist kinderen verdienen het om door volwassenen tegen geweld te worden beschermd.
Daarom zou het een goede zaak zijn, als de keizer bij het aanbieden van excuses de kinderen van toen expliciet noemt. Het zou allereerst een erkenning betekenen van hen die de oorlog van toen als kind hebben meegemaakt. Maar daarnaast zou er aandacht gevraagd worden voor het lot van kinderen, die ook nu nog slachtoffer worden van oorlogsgeweld.
Dit is een samenvatting van de publicatie:
‘Vanuit een behoefte aan rechtvaardigheid – Reacties binnen de KJBB op het voorgenomen bezoek van de keizer van Japan aan Nederland’
NPI en KJBB, april 2000.
|
Is het kader met afbeeldingen rond dit frame NIET zichtbaar: klik hier