Is het kader met afbeeldingen rond dit frame NIET zichtbaar: klik hier

Reageer op deze site!
De Antillen in WO II

                                             

  • De Antillen in WO II
       - Olie en de geallieerde troepen
       - Komst Franse, Engelse en US-Amerikaanse troepen
       - Aanval Duitse U-boten
       - Gevaarlijke Shell-tankers, doodgeschoten Februari-stakers
       - Atlantic Charter
       - Interneringskampen
       - Bezoek van Oranje
       - KNIL-militairen
       - Hulpacties
       - Antilliaanse musici in Nederland
       - Oorlogsmonumenten op de Antillen
  • Antilliaanse oorlogsslachtoffers
       - Segundo Jorge Adelberto (Boy) Ecury
       - George John Lionel Maduro
       - Militairen (Van den Belt, Debrot, Gandelman, Haayen, De Haseth, Henar, Van Meeteren, Veeris)
       - Niet-militairen (Beaujon, De Castro Yohai, Cohen Henriquez, Debrot, De Haseth Möller, De Lannoy, Navarro, Sprockel, Winkel)
       - Antilliaanse joden in Westerbork (Alvares Correa, van Lissa-van Lissa, Santcroos, Ster)
  • Bronnen / Verder lezen


    De Antillen in WO II



    Vlag: www.robkoster.nl

    Olie en de geallieerde troepen
    Aruba en Curaçao hebben een speciale rol gespeeld tijdens de oorlog, waarvan maar weinigen op de hoogte zijn. Aruba en Curaçao hadden olieraffinaderijen die Engelse, Franse en Amerikaanse vliegtuigen bevoorraadden.


    Boortorens in de lagune van Maracaibo
    Foto: Ewing Galloway (Bos & Van Palen Platenatlas)


    Voor de olie, die uit het Venezolaanse meer van Maracaibo werd gewonnen (sinds 1914), hadden de oliemaatschappijen havens en opslagplaatsen nodig. Venezuela en de oliemaatschappijen kozen voor het nabijgelegen Aruba en Curaçao. Daar was men verzekerd van goede havens en politieke rust. De Koninklijke Olie (KNPM)/Shell vestigde in 1918 op Curaçao een grote raffinaderij; het kreeg de naam van de plek, het schiereiland Isla aan de haven van Willemstad. Op Aruba zette de maatschappij in 1928 een kleine installatie neer, Eagle, niet ver van Oranjestad. Belangrijker waren de activiteiten van Pan American Petroleum met zijn Lago Oil & Transport Co. Deze deed al vanaf 1924 olieoverslag op het eiland (via een pier bij Oranjestad) en diepte in Sint Nicolaas de natuurlijke haven uit. In 1929 opende daar ook de Lago-raffinaderij die zou uitgroeien tot een van de grootste ter wereld. De onderneming wisselde enkele malen van eigenaar en viel vanaf 1933 onder Esso (Exxon). Al in 1939 voorzagen de raffinaderijen op de twee eilanden in 43% van de oliebehoeften van de Engelsen en de Fransen, en voor 80% in die van de Britse Royal Air Force alleen (kerosine). De Amerikaanse invasie in Noord-Afrika (1942-1943) draaide voor 100% en de strijd in de Pacific (1944-1945) voor 75% op de brandstof uit de Antilllen.

    Bronnen:
    http://www.historiadiaruba.aw/index.php?option=com_content&task=view&id=28&Itemid=42
    http://en.wikipedia.org/wiki/Lago_Oil_&_Transport_Co._Ltd.
    Liesbeth van der Horst, Wereldoorlog in de West (p. 29)


    Komst Franse, Engelse en US-Amerikaanse troepen


    Kaart: www2.mw.nl

    Vanwege de grote militaire en economische belangen was het logisch dat, na de overval op Nederland, Engelse en Franse troepen op de Antillen werden gestationeerd. Op 11 mei 1940 waren al 180 Franse mariniers op Aruba, op 13 mei kwamen 800 Engelse manschappen naar Curaçao en Sint Maarten. Na de capitulatie van Frankrijk, in juli 1940, namen de Britse militairen de Franse plek in. Het Franse deel van Sint Maarten werd overigens nooit pro-Duits. De versterking was niet onnodig. Duitse troepen vielen transportschepen met olie en bauxiet aan, en zelfs direct olieraffinaderijen (1941-1942).
    De VS-militairen werden pas actief toen de VS zich na de Japanse aanval op Pearl Harbor (7 december 1941) officieel bij de Geallieerden voegden. Voor het Panama- en Caribisch gebied gebeurde dit onder de vlag van het Rainbow 5-plan. Het oppercommando was Amerikaans, maar zoals in Jamaica en Trinidad de leiding gedeeld werd met de Engelse koloniale en militaire macht, zo gebeurde dat op Aruba en Curaçao en de andere eilanden met de Nederlanders. Op 26 januari 1942 was het verdrag tussen het US Oorlogsministerie en de Nederlandse regering in Londen een feit. Midden januari waren al 6 A-20 bommenwerpers op Aruba en Curaçao gestationeerd. Op 11 februari kwamen rond 2300 man grondtroepen vanuit New Orleans aan: een groot deel voor Curaçao, een iets kleiner voor Aruba. Drie dagen later vertrok het Engelse garnizoen van intussen ca. 1400 militairen uit de Antillen. Pas aan het eind van maart waren de US-Amerikaanse en Nederlandse regering het eens over de bevelsstructuur. Admiraal Jesse B. Oldendorf werd chef van alle strijdkrachten in het gebied, ook de Nederlandse. Kapitein van Asbeck, de Nederlandse bevelhebber van de eilanden, werd zijn stafchef, en de orders van Oldendorf vielen formeel onder de autoriteit van gouverneur Kasteel. Deze eenduidige commandostructuur bereikte het US-leger in Suriname niet, hoewel daar al vanaf eind 1941 Amerikaanse troepen waren. Dit verschil hing samen met de grote dreiging die vanaf begin van 1942 op de Benedenwindse eilanden aanwezig was.

    Aanval Duitse U-boten


    Het eiland Aruba (Bron: www.jewishvirtuallibrary.org)

    In de nacht van 15 op 16 februari 1942 vond de eerste aanval van Duitse onderzeeboten op het westelijk halfrond plaats. Hij was gericht op het olietransport tussen Venezuela en de Antillen. De eerste treffer was voor het tankerschip Pedernales in de Sint Nicolaas-haven op Aruba. Het brandde uit. Zo begon de actie 'Paukenschlag'. Bij de aanval door de Duitse onderzeeër U-156 werden nog vier olietankers bij Sint Nicolaas geraakt. Ook de kleinste, de 'Oranjestad', zonk (met dank aan Gerrit Walters, december 2006). Bijna alle bemanningsleden verdronken. De meeste stokers op de getorpedeerde olietankers waren etnische Chinezen. De duikboot kwam vervolgens aan het oppervlak en vuurde wat granaten af op de Lago raffinaderij. Er werd maar weinig schade aangericht, alhoewel een van de Duitse bemanningsleden zijn leven verloor vanwege een explosie in het geschut. De Bernhardschool in Sint Nicolaas kreeg ook veel schade.


    Tankerschip Pedernales (Bron: www.aruba-carribean-beaches.com)

    De verdediging van het eiland was niet op orde. De eerste berichten maakten alleen melding van vuur op schepen en in de raffinaderij. Pas anderhalf uur later drong door dat er een aanval van een Duitse onderzeeërs gaande was. Ook in de haven van de hoofdstad Oranjestad verscheen een Duitse onderzeeër. Hij bracht zware schade toe aan een Amerikaanse tanker bij de Eagle raffinaderij en kon zelfs het nabijgelegen vliegveld bedreigen. Aan het eind van 1942 had de Duitse U-boot-vloot in het westelijke en oostelijke Caribische gebied 280 tankers en andere schepen vernietigd, met een tonnage van 1.300.000. De noodzaak van een centrale aansturing van de geallieerde verdediging was overduidelijk. Dat het menens was werd ook aan de bevolking duidelijk gemaakt. Na de eerste aanval moesten alle jongens tussen 18 en 20 jaar in dienst om het eiland te verdedigen.

    Bronnen:
    Liesbeth van der Horst, Wereldoorlog in de West (p. 23-26)
    Stetson Conn, Rose C. Engelman, Byron Fairchild, Guarding the United States and its outposts (Washington, 2000) (www.history.army.mil:80/books/wwii/Guard-US/ch16.htm)


    Gevaarlijke Shell-tankers, doodgeschoten Februari-stakers
    Acht dagen na de Duitse aanval wilde de Curaçaosche Stoomvaart Maatschappij (CSM), dochteronderneming van het latere Shell-Curaçao, weer een konvooi tankers uitsturen om de verbinding tussen de Antilliaanse raffinaderijen en Maracaibo te herstellen. Een Koninklijk Besluit van 1940 verplichtte het personeel om te varen. De bemanningen hadden echter angst voor de duikbootaanvallen. Bovendien was de tankersvloot gammel, zonder reddingsmaterieel, en kende Curaçao geen zaken als scheepvaartinspectie, ongevallenwet of pensioenregeling voor nabestaanden. Een groot deel van het personeel, officieren en stokers, weigerde op 24 februari 1942 werk. De officieren trokken hun werkweigering in, vermoedelijk omdat hun eisen waren ingewilligd. 450 Chinese stokers, velen uit Rotterdam, volhardden in hun staking. Zij deden het zware, hete werk in de machinekamers en zaten bij een torpedo-aanval als ratten in de val. Ze wilden loonsverhoging, uitbetaling van hun wettelijke oorlogsbonus en de belofte dat ze na de oorlog zouden worden gerepatrieerd naar China (Jean Mentens, Volkskrant 21 april 2008). Op 12 en 13 maart weigerden ze opnieuw werk – Chinese woordvoerders waren ontboden op het hoofdbureau van politie aan het Wilhelminaplein - en de stakers werden nu opgesloten op het terrein van Shell, bij de Amerikaanse basis Suffisant. Twee dagen later solidariseerden de officieren zich met de stakers; ook zij werden nu opgesloten. Gouverneur Wouters bemiddelde, met als gevolg dat het tanker-verkeer vanaf 27 maart weer liep. De Chinese stokers bleven echter gevangen. Toen er op 20 april onrust uitbrak over deze behandeling grepen politie en bedrijfspolitie in. Er werd ook geschoten. 44 Chinezen raakten gewond en 12 mannen overleden onmiddellijk, 3 later. Hun lichamen werden anoniem begraven in de ongewijde aarde van begraafplaats Colebra Bèrdè, temidden van ongedoopte kinderen, ongehuwde moeders, misdadigers en anderen die door de katholieke kerk als zondaar werden beschouwd. De Amigoe schreef over het gebeuren en kreeg een verschijningsgebod van twee dagen. Sinds 2000 ijvert de Stichting Eerherstel Oorlogsslachtoffers Curaçao (SEOC) voor een plaquette en een waardige herdenking, ook in Nederland. "Liefst op de Dam, met excuses erachteraan." (Junnes Sint Jago, VK 21 april 2008).


    Mgr Luis Secco en de bestuursleden van de SEOC bij de eerste inwijding van Kolebra Berde tot Erebegraafplaats en Nationaal Monument in april 2003 (foto: www.solidariteitzo.nl/pages/actueel-2007)

    In april 2003 werd Kolebra Berde door Mgr Amado Römer, Bisschop van Curaçao, voor de eerste maal gewijd. De plaats waar de lichamen van de 15 Chinese stakers waren weggestopt werd in aanwezigheid van de SEOC, vakbondsleider Wim van Lamoen, mgr Luis Secco van de Antillen en Aruba en andere prominenten tot Erebegraafpalats en Nationaal Monument verheven.

    Andere bronnen: Ad van den Oord, Allochtonen van nu en de oorlog van toen (p. 43); http://www.solidariteitzo.nl/pages/actueel-2007.html; interview met Nizaar Makdoembaks 8 april 2008 (http://antilliaans.caribiana.nl/innederland/car20080408_makdoembaks-oorlog).

    Atlantic Charter
    De US-Amerikaanse aanwezigheid had een bevrijdende werking, economisch en cultureel. De zwarte bevolking werd over het algemeen ouderwets koloniaal behandeld. Nederland moest nog erg wennen aan het Atlantic Charter (9 augustus 1941), dat onder meer de afschaffing van het kolonialisme na de oorlog inhield.
    Tijdens de oorlog, op 6 december 1942 (in Azië 7 december), hield Koningin Wilhelmina in Londen een redevoering, waarbij zij in vage termen aan Nederlands Oost-Indië, Suriname en Curaçao na de oorlog een vorm van zelfbestuur beloofde.

    Interneringskampen
    Direct na de Duitse inval in Nederland werden op de Antillen 41 van NSB-sympathieën verdachte burgers en ruim 200 Duitsers opgepakt en geïnterneerd op Bonaire. Onder de Duitsers bevonden zich echter ook joodse vluchtelingen uit Duitsland en Oostenrijk en andere anti-fascisten. Een van hen was het gezin van de Oostenrijker Otto Engelbert Sechtlerberger. Otto werkte sinds 1929 bij Shell op Curaçao. De verhoudingen in het kamp waren uiterst moeilijk. Ook de voedselvoorziening was niet geregeld en aanvankelijk moest de pastoor met brood langskomen. Mannen en vrouwen waren door prikkeldraad gescheiden, kinderen kregen geen onderwijs.
    In september 1942 dienden de notabelen Maduro en Cohen Henriquez een verzoekschrift in bij koningin Wilhelmina. Zij vroegen om de uitwisseling van hun zonen George en Ernest, die in Nederland in gevaar verkeerden, tegen op Bonaire geïnterneerde Duitsers. De regering ging er niet op in. Ook twee uitwisselingsprojecten in 1943 mislukten.
    Na enige tijd werden de joodse mannen overgeplaatst naar een kamp op plantage Guatemala, maar niet bevrijd. In september 1942 mochten de joden terug naar Curaçao en Aruba, met beperkte bewegingsvrijheid en in maart 1944 kon de joodse Antilliaanse gemeenschap de zorg voor de geïnterneerden overnemen. Sommigen van de geïnterneerden werden in 1947 met een enkele reis naar Duitsland uitgewezen. Het kamp in Bonaire werd omgebouwd tot Hotel Zeebad en later tot Flamingo Beach Club Hotel.

    Bezoek van Oranje


    Prins Bernhard (foto: www2.telegraaf.nl/bernhard/bernhard3/)

    Suriname en de Antillen waren de enige delen van het Koninkrijk die niet waren bezet, door Duitsland of door Japan.
    In oktober 1942 brengt Prins Bernhard, als eerste lid van het Koninklijk Huis in honderd jaar, vanuit Londen een bezoek aan Curaçao, Aruba en Suriname. Amerikaans luchtafweergeschut loste op 22 oktober 1942 een schot naar prins Bernhards vliegtuig. De prins was namelijk ruim te vroeg boven Curaçao en besefte dat het ontvangstcomité er nog niet zou zijn. Hij besloot daarom een rondje boven het eiland te vliegen. Eén van de twee Amerikaanse posten op het raffinaderijterrein vuurde daarop een waarschuwingsschot af. De prins maakte dat hij wegkwam, landde op het vliegveld Hato en wachtte in de bar op de komst van gouverneur Kasteel (dr. J. Hartog, De forten, verdedigingswerken en geschutsstellingen van Curaçao en Bonaire. Zaltbommel 1997). Toen deze was gearriveerd stapte de vertegenwoordiger van het Koninkrijk opnieuw en officieel uit het vliegtuig. Perschef en censor mr. Eduard M. Elias was al vroeg op het vliegveld aanwezig geweest en verbood de pers ter plekke het incident te melden; hij belde later zelfs de hoofdredacties op om zeker te zijn dat iedereen zich aan het verbod hield. De prins bezocht op 24 oktober de olieraffinaderij van Aruba en vloog vervolgens door naar Suriname.

    In 1943 vloog het toestel van prinses Juliana over Sint Eustatius en Saba, waar schoolkinderen in grote letters de O (Oranje) en de V (Victorie) vormden. Er werden strooibiljetten uitgeworpen met ‘beste wenschen voor de gemeenschappelijken strijd’. In februari en maart 1944 bracht de kroonprinses een bezoek aan Curaçao, Aruba, Bonaire en het (half-Franse) Sint Maarten.

    KNIL-militairen


    KNIL wervingsfolder, ca 1938 (bron: www.engelfriet.net)

    Ongeveer 200 KNIL-militairen van Suriname en de Antillen werden in 1944 vanuit Australië ingezet tegen Japan. Hun getal werd aangevuld door 200 vrijwilligers uit ‘de West’, door gemobiliseerde Nederlanders uit niet-bezet gebied en Papoea's uit Nieuw Guinea. Australië was geen paradijs voor niet-blanken. Het leek toen sterk op het Zuid-Afrika van de apartheid.

    Hulpacties
    Tijdens en aan het eind van de oorlog werden inzamelingsacties voor Nederland gehouden. Een in de Oost- en West-Indische koloniën bekende actie was het zogenaamde Spitfire-fonds, dat bedoeld was voor de aanschaf van jachtvliegtuigen voor de Geallieerden. Het Curaçaose Dames Spitfire Comité bracht in korte tijd 5200 Engels pond bijeen, ofwel ruim 50.000 toenmalige guldens. Zo schrijft de filatelist Paul Daverschot. De 'Tweede Wereldoorlog in de West' noemt ook het Damescomité Prinses Irene. Haar inzamelingsactie nam onder meer de vorm aan van een revue. Zita Moreno, die danste in de revue, vertelt dat er speciale Spitfire-liedjes in werden gezongen, zoals 'Spitfire in de lucht'. Andere 'ingezamelde' Spitfires droegen de namen van Nederlands-Indische plaatsen, of heette 'Suriname'. In die lijn werd de met Arubaans geld gekochte Spitfire 'Aruba' gedoopt.


    Zegel Prins Bernhard Comité (Bron: Filatelie, oktober 2007).

    Op 11 december 1941 werd op de Antillen, in navolging van Nederlands-Indië en Suriname, een serie toeslagzegels uitgegeven. De opbrengsten gingen naar het Prins Bernhard Fonds, dat er Spitfires, tanks en dergelijke mee kocht (bron: Filatelie, oktober 2007). Vanuit de Antillen was er ook een ABC-Babyfonds voor ondervoede Nederlandse kinderen, werden warme kleren naar Londen gestuurd en zamelde men geld in waaruit zes mobiele keukens werden betaald.

    Antilliaanse musici in Nederland
    In de jaren dertig werkten enkele Antilliaanse musici in Nederland, met name in 'Negro Clubs' in de drie grote steden. In het begin van de oorlog hadden de Duitsers nog niet in de gaten dat zich onder de musici ook niet-Arische muzikanten bevonden. Zij hadden gewoon een Nederlands paspoort en zich laten inschrijven bij de 'Kulturkammer'. Later veranderde dat en werd door de Duitsers ook een afkeurend filmpje over jazz gemaakt: 'Barbarisme', waarbij vooral neger-muzikanten het moesten ontgelden. Toch konden de meeste zwarte musici actief blijven, omdat de jazz ook bij de Duitsers zeer populair was.
    De fameuze Afrikaans-Amerikaanse pianist Freddy Johnson (New York City, 1904-1961) trad al in het midden van de jaren dertig op in Nederland. Herman Openneer: ‘men zegt wel dat Johnson de Nederlanders piano leerde spelen’. In het naar hem genoemde ‘Quartet’ speelden naast de Surinaamse Mike Hidalgo, Kid Dynamite en de drummer Arthur Pay ook de Antilliaan Martin Sterman. Drummer Martin Sterman was in Amsterdam geboren als zoon van een blanke moeder en een Antilliaanse vader (Curaçao). Zijn broer Otto was acteur en voordrachtskunstenaar, zijn zus Annie een bekend vocaliste. Zij ondervonden geen problemen. Annie Sterman trad op 20 juli 1944 onder de naam ‘Topsy’, ‘de West-Indische zangeres, tap- en rumba-danseres’ in de Waakzaamheid te Koog aan de Zaan op, samen met bekende Zaanse en Westfriese orkesten en solisten. Het was de dag van de aanslag op Hitler.

    Oorlogsmonumenten op de Antillen


    Monument op Bonaire (foto: M.v.d.Veur)

    Plaquette (foto: M.v.d.Veur) - (klik op de foto)
    Op Bonaire, aan de Plasa Wilhelmina in Kralendijk, werd in 1957 een moument opgericht voor 128 Antilliaanse gevallenen. Het betreft koopvaardijpersoneel, vervolgden in Nederland, burgerslachtoffers in Nederland, verzet in Nederland en militairen in dienst van het Nederlands Koninkrijk 1940-1945. Hun namen staan op een plaquette vermeld. Op deze website vindt u informatie over degenen van wie de naam in vet staat vermeld.

    M.R. Anthony, J.W. van den Belt, A.H.G. Bernabela, H.P. Bernabela, L.E. Bernabela, J.P. Boekhoudt, U. Boom, F.L. Capello, M.Th. Charlouis, C.B. Cicilia, N.A. Clarinda, A.C.P. Coffi, J.C. Coffi, T.M. Constancia, J.S. Cornett, J. Daanchi, Ch.M. Debrot, J.O. Dembrooke, P. Dijkhoff, G.L. Doran, J.L. Dortalina, J.W. Dunlock, S.J.R. Ecury, L.N. Emerenciana, G.L. Emnes, H.J.H. Forbes, L.H. Fridael, P.V. Goedgedrag, J.D. Goeloe, M.C.B. Corsira-Corsira, A.D. Granger, J.F. Haayen, J.A. Hart, T. Hartlief, M.C.B. de Haseth-Corsira, A.C. ten Have, G. ten Have, K. ten Have, N. ten Have, G. Hecker, C. van der Hoeven, M.A. van der Hoeven, W.O. Hooker, A.G. Hommerson,

    M.B. Isijk, D.G. Janga, N.Th. Janga, E.J. Jansen, H.G. Jansen, K. de Jong, P. Joosse, A.M.W. Knevel, L. Kooyman, B.C. Kraal, J. Landenga, U. Landenga, E.E. Laveist, J.M. Layto, B.F. Leito, J. Lepelaars, L.W. Lepelaars, J. van der Linde, E.N. Linzey, H.L. Lodrigo, M.M. Lourens, D.K. Lynch, D.A.C. de Maagd, F.A. Maas, J.E.W. Maasdamme, G.J.L. (R.M.W.O.) Maduro, G.A. Manuela, R.C. Marchena, C.R. Martes, D. Martijn, H.B. Martijn, O.D. Martijn, Th.F. Martijn, A.B. Martina, P.A. Martina, H.N. Martis, E.A. Matrona, M.R. Matrona, J.A. Maxwell, C.A. van Mechelen, J.J. Mol, G.A.L. Muller, J.A. Statius-Muller, W. Neeleman, A. Nijdam, A.J. de Palm, H. de Palm,

    F.M. Panneflek, A.G. Pieter, J.S.R. Pietersz, D.H.P. Pourier, J.C. van Putten, Ch.B. Rafael, G.R. Richardson, J.B. Rosalina, W.F. Rosaria, S. Rozeboom, A.H. Scheelbeek, L.B. Scherptong, S.M. Serberie, L.E. Smiet, C. Smit, E.A.J. Stelk, A.Th. Stoel, J.G. Thielman, A.F. Thode, S. Thode, P.B. Tjie Tjie, B. Tromp, J. Verhey, A.F. Verhoeks, J. Vogelenzang, J. de Vries, H. Wensing, M.G. Wensing-Hesseling, M.T.H. Wensing, J.V. Wessels, M.D.J. Wijngang, W.A. Winfield, A.C. Winklaar, C.A. Wilson, J. Wilson, A.D. Woods, en H.S. Woods.

    Op het monument ontbreken de namen van enkele personen die wel op deze site staan. Het betreft de omgekomen militairen M.C. Gandelman en H.Veeris en vier op Curaçao geboren joodse slachtoffers.

    Daarnaast hebben Aruba en Curaçao een eigen monument van de Tweede Wereldoorlog, met dezelfde 128 namen, allen van personen met de Nederlandse nationaliteit.

    Oorlogsmonument Aruba

    Oorlogsmonument Curaçao (foto: J.Kooyman)
    Bronnen
    - www.4en5mei.nl/oorlogsmonumenten
    - www.lago-colony.com



    Antilliaanse oorlogsslachtoffers



    Segundo Jorge Adelberto (Boy) Ecury



    Foto: www.museenkoeln.de

    Hij werd op 23 april 1922 geboren in Oranjestad, Aruba. Hij was zevende van een katholiek gezin van dertien kinderen. Zijn vader was een bemiddeld zakenman. Boy ging aanvankelijk naar de fraterschool op het eiland, maar zijn ouders haalden hem daarvan af omdat ze hem te opstandig vonden. Hij werd samen met zijn broer Nicky naar de St. Augustin Military Academy op Portorico gestuurd. Daar bleken de jongens niet welkom vanwege hun donkere huidskleur. De ouders schreven hen toen in Nederland in, bij de Broeders van St. Louis in Oudenbosch, een befaamd instituut. Daar werden ze overigens op straat wel eens voor ‘neger’ uitgescholden. Boy behaalde er een handelsdiploma.

    De broers maakten de meidagen van 1940 mee en zagen de puinhopen van Rotterdam. Boy kwam in contact met een collega-student van de Antillen, Luís de Lannoy, die in Tilburg woonde en daar deel uitmaakte van het studentenverzet. Ze schreven elkaar in het Papiaments op briefpapier met een portret van Willem van Oranje. Boy was gespierd en een man van actie. Hij hielp Luís bij de uitvoering van illegale plannen en stak Duitse vrachtauto’s in brand. Hij sloot zich aan bij de Oisterwijkse Raad van Verzet. Boy maakte fosforbommen en bestookte daarmee Duitse vrachtauto’s, maakte een spoorlijn onklaar en bood hulp aan geallieerde piloten. Toen Luís de Lannoy na verraad op 10 februari 1944 werd gearresteerd deed Boy een poging hem uit de Utrechtse strafgevangenis te bevrijden, hetgeen mislukte.

    Hans P. Gerritsen (Oisterwijk) vertelt dat hij in de tijd van Dolle Dinsdag (5 september 1944) lid werd van de Raad van Verzet. Daarvoor had hij in kamp Amersfoort gezeten en hij voelde zijn leven al als ‘afgeschreven’. Eenzelfde gevoel herkende hij bij Boy Ecury. Hij had niets meer te verliezen. Samen zaten zij enige dagen op de zolder van een boerenschuur nabij en in een hut achter boerderij 'De Rozep Hoeve'. Door zijn donkere uiterlijk viel Boy Ecury in Oisterwijk erg op. En het was voor verzetsmensen al gevaarlijk. Vanaf begin oktober 1944 trokken geallieerde troepen naar het gebied rond Tilburg. Na overleg met commandant 'Bim' van der Klei vertrok Ecury naar een duikadres in Tilburg. Hij maakte een zeer strijdlustige indruk. Op 26 oktober werd Oisterwijk door Schotse eenheden bevrijd. [Met dank aan de heer Gerritsen, februari 2008].

    Boy Ecury bleef ondanks de kans op bevrijding niet in Brabant. Hij kwam in contact met de Knokploegen (KP) in Den Haag. Zij bereidden illegale acties voor in Rotterdam, daaronder een moordaanslag op een lid van de Nederlandse nazi-beweging (NSB). Op zondag 5 november 1944, nadat hij de hoogmis had bezocht, werd Boy Ecury in Rotterdam gearresteerd, vlak voor het gebouw van de Sicherheitsdienst (SD), verraden. Hij werd overgbracht naar de Scheveningse gevangenis en op 6 november geëxecuteerd op de Waalsdorpervlakte in Den Haag, de plek waar veel verzetsmensen werden doodgeschoten. In 1947 werd hij herbegraven op Aruba. In 1949 werd er een standbeeld voor hem opgericht. In 1984 werd Boy Ecury postuum het Nederlandse verzetsherdenkingskruis toegekend.



    Bron: Allochtonen van nu en de oorlog van toen p. 63-64
    Foto: www.onderscheidingen.nl


    Wat bezielde Boy Ecury om als jonge zwarte jongen in Nederland in het verzet te gaan?
    Zijn neef Ted Schouten: “We hebben de neiging naar de oorlog te kijken met de ogen van nu. Toen Boy in 1937 naar Nederland ging om te studeren, was dit land niet bepaald kleurrijk. Hij was een uitzondering, een bezienswaardigheid. De dekolonisatiegolf had nog niet plaatsgevonden. Op de Antillen waren nog geen status-aparte-behoeften. En Nederland had nog geen last van allochtone criminaliteit. Boy, die uit een rijke familie kwam, voelde zich in de eerste plaats Nederlander. Hij had een opstandig karakter. Geconfronteerd met schaarste, ellende, overheersing, discriminatie en geweld stelde hij zich agressief en zelfs provocerend op jegens de bezetter. Toen zijn beste vriend, Luis de Lannoy uit Curaçao, wegens verzetsactiviteiten werd opgepakt, sloot Boy zich aan bij een verzetsgroep in Oisterwijk. Hij hielp onderduikers in Tilburg, stak Duitse vrachtauto's in brand en liet treinen ontsporen. Hij werd verraden. De tijdgeest was anders, dat begrijp ik nu beter. Er komt ruimte voor een verhaal als dat van mijn oom.

    Hij was reeds vanaf het begin van de oorlog actief in het verzet. In 1942 moest hij Tilburg ontvluchten omdat het te gevaarlijk voor hem werd. Hij zwierf vervolgens in Oisterwijk, Delft en Rotterdam. Op 5 november 1944 werd hij te Rotterdam gearresteerd en overgebracht naar de gevangenis in Scheveningen en op 6 november 1944 werd hij op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd.”

    Ted Schouten, half-Nederlands, half Arubaan (zijn moeder was een jonger zusje van Boy Ecury) maakte begin jaren tachtig een tv-documentaire (voor TeleAruba) over het leven van zijn oom, de Arubaanse verzetsheld in Nederland. En hij schreef een boek dat in 1985 in een beperkte oplage van 1500 exemplaren verscheen (zie onder).


    Op de L.G. Smith Boulevard staat een borstbeeld van Boy Ecury

    Aandacht op Aruba
    Wat bezielde een zwarte jongeman om in Nederland in de Tweede Wereldoorlog in het verzet te gaan? Vooral deze vraag inspireerde Schouten om een diepgravend onderzoek te doen. Hij vond een schat aan historisch materiaal in de kamferkist van zijn oma. Opa bleek een uitgebreid onderzoek gedaan te hebben naar de dood van zijn zoon. Had zelfs de namen en foto's van de Duitse soldaten achterhaald.
    Sinds november 1949 staat er een standbeeld van Boy Ecury aan de Lloyd G. Smith Boulevard in Oranjestad. Rond 4 mei werd de documentaire nog wel eens gedraaid op Aruba, maar verder werd er weinig aandacht besteed aan de lokale oorlogsheld. De Tweede Wereldoorlog leek ver weg. Ted Schouten, inmiddels verhuisd naar Nederland, werd vorig jaar (2000) gebeld door de Arubaanse regering. Zijn boek zal worden herdrukt.

    Museum, boek en film
    Boy Ecury neemt tegenwoordig een centrale plaats in in het nieuwe oorlogsmuseum waar op 20 april door Kroonprins Willem Alexander een gedenkplaat is onthuld. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei sprak van een 'ware revival van de Tweede Wereldoorlog op Aruba'.

    De permanente tentoonstelling in het nieuwe oorlogsmuseum in Oranjestad laat het een en ander over die geschiedenis zien. De expositie is ondergebracht in een voormalige bunker. Het leven van Boy Ecury krijgt ook breeduit aandacht.
    Schouten: "De voornaamste motivatie voor het museum is waarschijnlijk niet de opgeleefde belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog, maar veeleer het belang van de toeristenindustrie. Toerisme is de belangrijkste bron van inkomsten van Aruba.
    De regering wil haar gasten meer bieden dan alleen zon en palmenstranden. Dat maakt mij niets uit, als er maar aandacht is voor Boy's verhaal."

    Met medewerking van Ted Schouten is er een film gemaakt over het leven van Boy Ecury. De film heet ‘Boy Ecury’, werd opgenomen o.a. in de Beemster (N.H.) en is in 2003 uitgebracht. Regie: Frans Weisz. Scenario: Arthur Japin. Cast: Felix de Rooy, Steve Hooi, Johnny de Mol, Gaby Milder, Sylvia Poorta. De film werd in 2003 onderscheiden met een Gouden Kalf en won in 2004 een Amerikaanse Columbine Award als ‘best feature film’. (voor een samenvatting en foto's van de film zie verder)

    Bronnen



    Ted Schouten, ‘Boy Ecury, een Antilliaanse jongen in het verzet’ (ISBN 90-5730-242-X), Walburg Pers.
    Nationaal Comité 4 en 5 mei, Onno Kronenberg, 'Vrijheid geef je door'. 020-6209688, onno.kronenberg@natcom45.nl
    www.4en5mei.nl


    George John Lionel Maduro



    Foto: www.residentie.net

    Officier George John Lionel Maduro werd geboren in hoofdstad van de Nederlandse Kolonie Curaçao, Willemstad (15 juli 1916), als achterkleinzoon van de stichter van de invloedrijke joodse firma S.E.L. Maduro & Sons. Hij studeerde rechten aan de Universiteit van Leiden, toen de Duitsers Nederland binnenvielen op 10 mei 1940. Zijn laatst bekende adres was Frederik Hendriklaan 111, Den Haag. Zijn beroep was op dat moment repetitor (www.joodsmonument.nl).
    Als reserveofficier (2e luitenant) der Huzaren werd hij ingezet in de regio Den Haag, onder meer bij de Oude Tolbrug aan de Vliet. Hij onderscheidde zich bij de aanval op Duitse parachutisten in de villa Leeuwenberg te Rijswijk.



    De omschrijving van de reden waarom hij postuum de Militaire Willemsorde ontving luidt:
    ‘Heeft zich in den strijd door het bedrijven van uitstekende daden van moed, beleid en trouw onderscheiden, door op 10 Mei 1940 als Commandant van een peloton jonge soldaten met veel beleid en op eigen initiatief de overmeestering te ontwerpen en voor te bereiden van de achter de Vliet bij RIJSWIJK door den vijand bezette villa "Leeuwenburg" (Dorrepaal). Met zeer veel moed aan het hoofd van twee groepen de onder vijandelijk mitrailleurvuur liggende brug over de Vliet overschreden, den aanval op het versterkte steunpunt (Villa "Leeuwenburg") persoonlijk geleid en bij den stormaanval als eerste binnengedrongen, het verzet aldaar gebroken en de bezetting krijgsgevangen gemaakt.’

    In maart 1942 verplichtte de Duitse bezetter alle reserve-officieren om zich te melden. Maduro deed dit niet en dook onder bij familie van een studievriend. Hij sloot zich aan bij het verzet en hielp geallieerde piloten via een zuidelijke route naar Spanje en Portugal te vluchten. Om zich in Londen te kunnen aanmelden voor de Nederlandse strijdkrachten ging hij zelf eind juni 1943 ook op weg naar Spanje. Door verraad viel hij aan de Belgisch-Franse grens (Charlesville) in de handen van de Duitsers en werd, als militair, geïnterneerd in Saarbrücken.
    In september 1942 diende de vader van George, Jossy M.L. Maduro, een verzoekschrift in bij koningin Wilhelmina. Hij vroeg om de uitwisseling van zijn zoon tegen op Bonaire geïnterneerde Duitsers. Hetzelfde deed de vader van Ernst Cohen Henriquez. De regering ging er niet op in. Ruim een jaar later, in november 1944, werd George vanwege de geallieerde opmars naar het concentratiekamp Dachau gestuurd. Daar overleed hij op 9 februari 1945 aan vlektyfus.

    De Nederlandse militairen die vielen bij de slag om Den Haag kregen een standbeeld bij Sorgvliet. George Maduro kreeg een bijzonder monument. Ter nagedachtenis aan hem hebben zijn ouders, Jossy en Rebecca, met steun van het bedrijfsleven en een architect in 1952 Madurodam opgericht, waar de mooiste gebouwen van Nederland op schaal 1:25 zijn nagebouwd. Ook staat het geboortehuis van George in Madurodam. Het is in 1895 gebouwd in de Palladianistische stijl, een bouwstijl gekenmerkt door harmonie en eenvoud.



    Bij de ingang van Madurodam staat ook een apart gedenkteken ter nagedachtenis aan George Maduro, de enige Antilliaan aan wie Nederlands hoogste onderscheiding is toegekend, de Militaire Willemsorde.
    In 1991 hebben de Oud-Dachauers in Madurodam, tijdens de jaarlijkse reünie een bronzen gedenkplaat onthuld. De tekst op deze plaquette luidt:
    Ter nagedachtenis aan onze kampgenoot
    George J.L.Maduro R.M.W.O
    geboren 15 juli 1916 te Curaçao,
    omgekomen op 9 februari 1945
    in het concentratiekamp Dachau.

    Vriendenkring Oud-Dachauers.
    27 april 1991


    Foto: www.dachau.nl

    Op Curaçao, op een muur van de firma S.E.L. Maduro & Sons, is een bronzen plaquette aangebracht. Hierop staat de omschrijving van de reden waarom George postuum de Militaire Willemsorde heeft gekregen (zie boven). Ook is een zin uit de brief van Koningin Wilhelmina aan zijn ouders weergegeven: ‘met trots zal ik zijn daden blijven gedenken’.

    Bronnen:
    www.onderscheidingen.nl
    homepage.residentie.net
    weblog.donamaro.nl
    www.dachau.nl
    Allochtonen van nu en de oorlog van toen p. 62
    Isaac S. and Suzanne A. Emmanuel, History of the Jews of the Netherlands Antilles. Cincinnati 1970 (p. 501, 1103)


    Andere namen

    Militairen


    Graf J.W. van den Belt (foto: www.ogs.nl)

    Jan Willem van den Belt, geboren te Willemstad, Curaçao, op 14 augustus 1913. Gesneuveld te Tarakan op 12 januari 1942. In die periode was dit eiland ten noordoosten van Borneo (Kalimantan) het toneel van gevechten tussen eenheden van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en de Japanse aanvallers. De olievelden van Tarakan leverden 6 miljoen vaten per jaar. De Engelse Wikipedia vertelt het volgende. Op en rond het eiland waren 700 oliebronnen. Er was een raffinaderij en een vliegveld. De Japanse aanval was specifiek op de olievoorraden van Tarakan en het 700 kilometer zuidelijk gelegen Balikpapan gericht. De Nederlands-Indische troepen van Tarakan, rond 1300 manschappen, omvatte twee genie-pelotons. Jan Willem van den Belt was hier eerste luitenant. Na felle tegenstand tegen een overmacht van rond 6.600 Japanse militairen, gaf het garnizoen zich over. In de dagen hiervoor was de onderzeeër K-X ontsnapt (zie www.dutchsubmarines.com; zie ook Jan Frederik Haayen*); de mijnenlegger Prins van Oranje werd getorpedeerd. De zoon van J.W. Jongkind, boormeester in opleiding in Nederlands-Indië (1939-1942), vertelt over de verdediging van Tarakan het volgende:


    Brandende oliebronnen bij Tarakan (foto: www.voeks.nl)

    'Een voor het doel opgeleide vernielingsploeg trok de petroleumvelden in en vernietigde alle installaties. Een van de Nederlanders zei later: "Het gerucht van den strijd ging verloren in het geraas van den brand. De lucht was een en al rookwolk waar de vlammen doorheen schoten. Daar ging 't werk van 30 jaar. En commandant De Waal, die zijn best deed bij zijn menschen den moed erin te houden, riep uit: "Wie zou ooit hebben gedacht dat een arm officier op een enkelen avond 30 millioen gulden zou verdoen."" De Nederlanders bleven de Jappen op een afstand houden totdat het tweede deel van het verwoestingsplan kon worden voltooid. Dat was de verwoesting van de groote petroleumtanks die zoowat 100.000 ton petroleum bevatten. Ook hier werd de brand in gestoken. Het felle geraas der vlammen verdronk alle andere geluiden, verklaarde een getuige. "'t Was 'n ontzettend gezicht; de brandende olie stroomde zachtjes door de kanalen die we hadden gemaakt naar de kust. Alles in de omgeving verdween, de asfaltwegen, de huizen, de havenwerken - en de brandende olie stroomde 'n groot eind de zee in", zei hij. Twee etmalen na het tijdstip van de Japansche landing was het verwoestingswerk af en gaven commandant De Waal en zijn gehavende gelederen zich over. Er waren 40 vrouwen bij, de echtgenooten van Nederlandsche en Indonesische soldaten en verpleegsters. Zij hadden geweigerd Tarakan te verlaten toen het gevechtsgebied dreigde te worden omdat zij gewonden wilden verplegen". Als straf voor het feit dat luitenant-kolonel Simon de Waal had besloten de olie-installaties te vernietigen, werden alle krijgsgevangenen door de Japanse troepen geëxecuteerd. Twee overlevenden moesten dit ter waarschuwing in Balikpapan gaan vertellen.


    Borneo 1945 (foto: www.ibiblio.org)
    Brunei (pijl boven, Tarakan (midden), Balikpapan (onder)


    Vermoedelijk was Van den Belt als luitenant van de genietroepen in belangrijke mate verantwoordelijk voor de vernietiging van de installaties. Van den Belt ontving postuum de onderscheiding Bronzen Leeuw. Dit een na hoogste militaire ereteken wordt verleend voor het bedrijven van bijzonder moedige en beleidvolle daden. Jan Willen van den Belt ligt begraven op het grote ereveld in Leuwigajah bij Bandoeng (Java).

    Extra bronnen:
    www.onderscheidingen.nl
    Engelse Wikipedia
    www.voeks.nl
    www.geocities.com


    Graf C.M. Debrot (foto: www.ogs.nl)

    Charles Marius Debrot, geboren te Curaçao op 17 maart 1920, sneuvelde op 10 mei 1940 bij de gevechten om het vliegveld Ockenburg te Loosduinen/Den Haag (zie voor deze gevechten ook Maduro). Hij was reserve sergeant van het Regiment Jagers (1-I), en werd na de oorlog herbegraven op het militaire ereveld de Grebbeberg bij Rhenen.

    Extra bron: vliegveld-ockenburg.net

    Mordechai ('Marco') Chaim Gandelman


    Marco Gandelman (foto: familie Gandelman)

    Marco Gandelman werd in 1919 geboren in Roemenië. Zijn ouders emigreerden rond 1930 naar Curaçao. Zijn vader Haim stuurde hem eind jaren dertig naar een joods-religieuze opleiding, een ‘yeshiva’, in Amsterdam. Dit was hoogstwaarschijnlijk het Nederlands-Israëlitisch Seminarium, waar ook Jaap Meijer, de vader van Ischa Meijer, als jongen zijn opleiding kreeg. Het orthodox-joodse Seminarium leidt op tot voorzanger, rabbijn of godsdienstleraar. De archieven van het seminarium zijn in de oorlog verloren gegaan. Het Rode Kruis meldde in november 1945 dat Mordechai gevangen heeft gezeten in Duitsland, Stammlager VIII (nr. 46030), hetgeen betekent dat hij als militair in het Nederlandse leger heeft gediend. Dit Stammlager draagt de naam Cieszyn (Teschen) en ligt 30 km ten zuid-westen van Auschwitz, op de grens van Polen en Tsjechië. Volgens familieleden in Curaçao en Peru is Mordechai in dit krijgsgevangenenkamp omgekomen. Een Antilliaanse medegevangene, Isac Yohai, vertelde na de oorlog dat Mordechai daar aan typhus is bezweken.

    Jan Frederik Haayen, geboren te Willemstad, Curaçao, op 3 april 1919, sneuvelde als Luitenant ter zee 2e klasse met de bijna voltallige bemanning van de onderzeeër O16 op 15 december 1941 in de Zuid-Chinese Zee. Het is niet bekend wanneer Haayen bemanningslid werd.

         
    Onderzeeër O16, de brug (foto: www.dutchsubmarines.com)

    Hare Majesteits O(nderzeeboot) 16 was een schip van Nederlandse makelij. Hij werd tussen eind 1933 en begin 1936 op de Scheldewerf in Vlissingen gebouwd en was de eerste die van staal werd gemaakt (zie wikipedia.org). In 1939 werd de O16 verbonden aan de Nederlands-Indische vloot. Hij vertrok op 24 april uit Den Helder en kwam op 5 juni aan. Vaste havens waren Tandong Priok en Soerabaja. In september 1940 begeleidde de onderzeeër, in een klein konvooi, de tanker Olivia naar Lourenço Marques (Mozambique) omdat er berichten waren over een Duitse jager in dat gebied. Eind 1941 werd de O16 samen met de K XVII en XVIII – de K stond voor Koloniën - ingedeeld bij de eerste divisie van het onderzeebootflottieltje, dat in totaal uit 15 werkzame schepen bestond. Het flottielje zou ondanks veel verliezen succesvol zijn (zie www.dutchsubmarines.com). Commandant van de eenheid en van de eerste divisie werd Luitenant ter zee 1e klasse A.J. Bussemaker. De O16 was zijn vlaggeschip. Thuishaven van de O16 zou Sambas op Borneo zijn, bij de grens met het Britse deel en tegenover Singapore.
    Op 1 december 1941 werden de eerste en tweede divisie van het flottielje onder Brits commando gesteld. De Japanse dreiging in de richting van de Nederlands-Indische oliebronnen (zie Van den Belt* op Tarakan) zou met Brits(-Indische) en Australische hulp worden afgeweerd. Singapore werd de thuisbasis. De O16 en de K XVII moesten patrouilles uitvoeren langs de oostkust van Malakka (momenteel Maleisië) in de Zuid-Chinese Zee. De eerste patrouille was op 6 december. Een dag later startte Japan de verrassingsaanval op Thailand, Malakka, Sjanghai, Hongkong en Singapore en vernietigde het tegelijkertijd de Amerikaanse vloot in Pearl Harbour. De Nederlandse regering in ballingschap volgde de USA en verklaarde de oorlog aan Japan. Er was nu sprake van een directe oorlogspatrouille. De O16 en de andere Nederlandse onderzeeërs in Singapore kregen de opdracht de verwachte Japanse invasie in Malakka en Thailand te verstoren. Die was feitelijk op 8 december begonnen met bombardementen en troepenlandingen bij de Maleisische kuststad Khota Baru en de nabijgelegen Thaise havens Pattani en Songkla. De Britse kruisers Prince of Wales en Repulse werden op 10 december door Japanse bommenwerpers vernietigd. Ondanks het overweldigende succes van de Japanse Blitzkrieg wist de O16 op 10 december het troepentransportschip Ayatosan Maru (9788 ton) en/of de Sakura Maru (7170 ton) te beschadigen. De soldaten waren al op 8 december in Khota Baru geland. Twee dagen later viel de O16 een aantal Japanse schepen aan in de ondiepe baai van Pattani aan de oostkust van Thailand; ook zij waren al klaar met de troepenlanding. De Tosan Maru (8666 ton), Asosan Maru (8812 ton) en Kinka Maru (9306 ton) zonken gedeeltelijk. Ze zouden later worden gerepareerd. Cornelis de Wolf vertelde later:
    ‘Op 10 december namen we een Japans koopvaardijschip waar dat licht voerde op de achtersteven. Die stommiteit maakte het ons eenvoudig het schip naar de baai van Patani te volgen. Commandant Bussemaker besloot de baai in te gaan... Daar lagen vier Japanse schepen, in een halve kring. We schoten eerst op de boeg daarna op de achtersteven. We gebruikten zes torpedo’s die alle doel raakten. In de roos! De schepen zonken echter maar gedeeltelijk omdat de baai niet diep genoeg was, 8-10 meter... We wisten ongezien de baai te verlaten en zetten koers naar Singapore.’ (dutchsubmarines.com)
    Op 13 december keerde de O16 met nog één torpedo over terug. Twee dagen later liep de onderzeeër rond 2.30 uur bij het eiland Tioman op een Japanse mijn. De Japanners hadden op 7 december bij de ingang van de golf van Siam (nu Golf van Thailand) een linie aan zeemijnen uitgezet. Rond 21 december zou ook de K XVIII er met fatale gevolgen op lopen. De O16 viel bijna in twee stukken uiteen en zonk. 41 van de 42 opvarenden kwamen om. De meesten, onder wie Jan Frederik Haayen, overleden of verdronken onmiddellijk. Van vijf manschappen is iets meer bekend. Bootsknecht Cor de Wolf vertelt:


    Locatie wrak O16, 200 km boven Singapore (foto: www.dutchsubmarines.com)

    ‘Op zondag 14 december rond middernacht nam ik als roerganger de wacht op de brug over. We waren met z’n zessen. Allemaal hadden we onze ogen gericht op lichtstralen en flitsen verder weg. Daar vond blijkbaar een vuurgevecht plaats. Om 2 uur ’s morgens was net boven de horizon een zoeklicht te zien. De commandant veranderde van koers ... en ging recht op het licht af, ergens bij de eilanden aan de kust van Malaya. Het gebeurde rond 2.30 uur. Een donderslag slingerde me tegen de wand. Binnen een minuut verdween onze trouwe O16 onder de golven. Ik zag de commandant en een hoofdofficier proberen om het luik van de geschutkoepel dicht te krijgen, terwijl ik zelf wanhopig mijn best deed mijn jas los te trekken uit de rommel van de mijn waarin hij vast zat. De jas scheurde en ik kwam in het water terecht, alleen.’ Cor vindt vier nog levende maten met wie hij in de richting van het eiland Tioman zwemt: Luitenant ter zee 2e klasse Jeekel, machinist korporaal Bos en de matrozen Van Tol en Kruijdenhof. De een na de ander moet het opgeven en verdrinkt, tenslotte na 18 uur ook Bos. De Wolf houdt het vol en belandt na nog eens 20 uur zwemmen op een onbewoond eiland voor de kust. Een jongen met een bootje die toevallig langskomt redt hem. De dorpelingen helpen hem verder. Een aantal gaan met hem samen op de vlucht voor de Japanners en na een lange tocht door de jungle vindt hen een Australische verkenner, die Cor de Wolf naar Singapore brengt. De Japanse aanval dendert voort en Singapore valt op 15 februari 1942. Het onderzeebootflottielje blijft vanuit Java en later Australië actief.


    Plaquette op de marinebasis in Den Helder (foto: www.ogs.nl)

    Extra bronnen:
    www.unithistories.com/units_index/default.asp?file=../units_dutch/navy_gunboats.asp)
    www.dutchsubmarines.com/men/men_dodenherdenking_2003.htm
    www.wikipedia.org

    Carel Zacharias de Haseth (Curaçao, 1908-1979) haalde zijn stuurmansdiploma op de zeevaartschool en werkte op Curaçao als loods. Bij de mobilisatie in 1939 ging hij het Nederlandse leger in. Hij maakte de capitulatie mee en sloot zich daarna aan bij het verzet. De Haseth werd gearresteerd en naar een Pools kamp gedeporteerd. Het Russische leger bevrijdde hem.

    George R. Henar (Aruba/Suriname, 1902-1978). Majoor-machinist van de Koninklijke Marine aan boord van Hr. Ms. 'Flores'. Tijdens de meidagen van 1940 lag de Flores op de rede van Vlissingen. Zij ondersteunde op 14 mei de stelling in Zuid Beveland met artillerievuur. Op 17 mei 1940 wist de Flores (samen met de Van Meerlant) te ontsnappen naar Dover in Engeland. Tijdens de eerste jaren van de oorlog deed de Flores vooral konvooidiensten. De kanonneerboot escorteerde in totaal 3.070 schepen, waarvan 2.690 schepen langs de oostkust van Engeland. Op 4 juni 1943 vertrok de Flores naar de Middellandse Zee voor de Operatie Husky, de landingen op Sicilië. Hier voegde ze zich bij de Hr. Ms. Soemba. Beide schepen onderscheidden zich door koelbloedige beschietingen op allerlei doelen. De geallieerden noemden de twee kanonneerboten de 'Terrible Twins'. Na escortediensten verleende de marineschepen in januari 1944 ondersteuning aan de landingen bij Anzio en Formia. In maart keerden de schepen terugn naar Engeland om zich op te maken voor de invasie van Normandië. Intussen kreeg de bemanning op 9 maart 1944 in Londen uit handen van koningin Wilhelmina het Bronzen Kruis. Voor de Normadische invasie startte de Flores in de Gold-sector. Men schakelde een Duitse batterij bij Arromanches uit.


    Hare Majesteits Flores voor de Normandische kust (foto: www.strijdbewijs.nl)

    Van 12 tot 30 juni verleende de Flores steun in de Sword-sector. Op 7 augustus kwam het schip terug in Engeland, waar het tot 29 maart 1946 in Shadwell Basin werd opgelegd. Op 1 april 1946 kwam de Hr. Ms. Flores terug in Nederland. George Henar bleef bij de marine en diende als luitenant ter zee. Hij ontving ook het Oorlogsherinneringskruis.

    Extra bronnen: www.onderscheidingen.nl, www.wikipedia.org, www.strijdbewijs.nl

    Wilhelmus Siegfried van Meeteren uit Curaçao (1918), net als George Maduro militair in mei 1940, werd krijgsgevangen gemaakt. Na zijn vrijlating studeerde hij in Rotterdam aan de Economische Hogeschool. Om het gezin van zijn zuster, bij wie hij in huis woonde, niet in gevaar te brengen meldde hij zich voor de ‘Arbeitseinsatz’ en kwam via kamp Ommen terecht in Berlijn (vergelijk Hugo van Win, paragraaf homoseksuelen in oorlog en verzet). In de fabriek werkte hij samen met Polen, Russen, Italianen en Fransen. Hij deed onder meer dienst als tolk. Hij kreeg er een ander zicht op de kleur- en rassenwaan die ook op de Antillen heerste.

    Henny Veeris (Curaçao - Nederland mei 1940). Henny diende tijdens de inval van nazi-Duitsland in het Nederlandse leger. Hij sneuvelde.

    Niet-militairen

    Oscar Beaujon (Curaçao 1923) studeerde tijdens de oorlog in Utrecht en weigerde de loyaliteitsverklaring te tekenen. De universiteiten hadden in december 1942 niet zonder meer ingestemd met het vrijgeven van de gegevens aan de bezetter om de studenten voor 'arbeidsinzet' naar Duitsland te kunnen sturen. Daarom legden de nazi's alle studenten een zogenaamde loyaliteitsverklaring voor. Wie niet tekende voor 'loyaliteit' aan de bezetter moest zich melden voor de 'Arbeitseinsatz'. 85% van de studenten tekende niet. Beaujon dook onder en overleefde.

    Isaac ('Sjakie') de Castro Yohai (Curaçao) studeerde rechten in Nederland. Hij was telg van een bekend joods geslacht en vluchtte met Ernest Cohen Henriquez* in 1942 via Frankrijk naar Spanje. Na de oorlog keerde hij terug naar de Antillen. Hij werd er procureur-generaal. (www.sefarad.org/publication/lm/042/2.html)

    Ernest ('Onchi') Cohen Henriquez (Curaçao 1917-2004). Ernest maakte in de jaren 1940-1942 in Nederland zijn rechtenstudie af. Net als Isaac de Castro stamde hij uit een bekende joodse familie. Samen met hem vluchtte hij naar Frankrijk. Daar werd hij twee keer gearresteerd. Zijn vader stelde samen met de vader van Ernest' collega George Maduro* aan koningin Wilhelmina voor, beide gevangen genomen zonen uit te wisselen tegen op Bonaire geïnterneerde Duitsers. De Londense regering vond dit te riskant. Ernest kwam vrij door bemiddeling van een Spaanse vriend van de familie - Maduro niet. Vanuit Cadiz kon hij Curaçao bereiken. Hij was er lange tijd notaris. In 1969 vestigde mr. Cohen Henriquez zich in Nederland. In 1974 werd hij hoogleraar in het notarieel recht aan de Rijksuniversiteit Groningen (www.madurolibrary.org/html/library/books/). Prof. mr. Cohen Henriquez was een van de belangrijkste adviseurs van OcaN (Overlegorgaan Caribische Nederlanders) (www.ocan.nl/management/).

                         
    Cola Debrot, Utrecht 1936 (foto: www.dbnl.org)    Cola Debrot op latere leeftijd (foto: www.debezigebij.nl)

    Nicolaas ('Cola') Debrot (Kralendijk op Bonaire, 4 mei 1902 - Amsterdam, 3 december 1981). Schrijver, arts, diplomaat en gouverneur. Nicolaas verhuisde als kind met zijn ouders naar Curaçao en Caracas. Zijn vader had een plantage op Bonaire, zijn moeder was afkomstig uit Venzuela. Het gymnasium deed Cola in Nijmegen, in 1921 ging hij rechten studeren in Utrecht. Daar was Cola bevriend met de dichters Martinus Nijhoff en Jan Engelman en de schilder Pyke Koch. Tussen 1928 en 1931 woonde en werkte Debrot in Parijs, - hij was er ghostwriter. Daar leerde hij zijn vrouw kennen, de Amerikaanse zangeres Estelle Reed. Terug in Nederland studeerde Cola medicijnen. In 1935 debuteerde hij als schrijver met de novelle 'Mijn zuster de negerin'. Dit werd later als het begin van de Nederlands-Antilliaanse literatuur beschouwd. Debrot werd arts en had onder de oorlog in Amsterdam een dokterspraktijk. Van huis uit stencilde en verspreidde hij illegale pamfletten. Ook pleegde hij andere verzetsdaden. Begin 1945 kreeg hij regelmatig bezoek van de schrijver W.F. Hermans. Hij nam hem mee naar patiënten onder de naam 'dokter Klondike', wat Hermans in een latere novelle verwerkte. Na de oorlog vestigde Cola Debrot zich als arts op Curaçao. Hij werd ook actief in de politiek, en kwam in 1952 als gevolmachtigd minister van de Nederlandse Antillen naar Den Haag. Tussen 1962 en 1970 was hij gouverneur van de Antillen. Na deze periode vestigde hij zich in Nederland. De laatste jaren van zijn leven bracht hij, gedeeltelijk lijdend onder zware depressies, door in het Rosa Spierhuis in Laren.

    Extra bron: www.wikipedia.org

    Antonie Joseph Philip de Haseth Möller (Curaçao 1916-1979). Antonie ging als veel jongens van de Antilliaanse bovenlaag voor zijn studie naar Nederland. Hij studeerde rechten in Leiden en werkte tot 1941 ook in het bedrijfsleven. Hij deed in de oorlog mee aan het studentenverzet. Hij probeerde naar Engeland te komen en werd bij een van die pogingen, in augustus 1943, in Zuid-Frankrijk opgepakt en naar het Duitse concentratiekamp Buchenwald gestuurd. De Haseth Möller overleefde het kamp. Hij werkte na de oorlog als secretaris van de krijgsraad in Engeland. In 1948 werd hij griffier van het gerecht in Curaçao, twee jaar later substituut-officier van Justitie. Tussen oktober 1955 en oktober 1957 was de Haseth Möller rechter-plaatsvervanger in Rotterdam. Deels gelijktijdig was hij lid van het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen (1957-1961). In juni 1962 werd hij rechter-plaatsvervanger bij de Amsterdamse rechtbank en een klein jaar later rechter van de rechtbank in Haarlem.

    Extra bron: http://66.197.141.254/burhoven/recht-h.htm

    Luís de Lannoy werd al genoemd, vriend en mentor van Boy Ecury. Luís was zoon van een apotheker op Curaçao en volgde aan het begin van de Tweede Wereldoorlog zijn opleiding in Tilburg. Hij sloot zich aan bij het studentenverzet en werkte een tijd op een distributiekantoor, om zodoende levensmiddelenbonnen te kunnen bemachtigen voor onderduikers. Daarnaast verspreidde hij illegale bladen en maakte plannen om Duitse vrachtauto’s met fabrieksladingen onschadelijk te maken. Ecury voerde de plannen met brandbommen uit. Door verraad werd Lannoy op 12 februari 1944 gearresteerd en naar de Utrechtse strafgevangenis overgebracht. Tijdens een verhoor sloegen de Duitse ondervragers hem door een ruit, waardoor glassplinters in zijn hoofd terecht kwamen. Een bevrijdingspoging door Boy Ecury mislukte. Op 5 september 1944, ‘Dolle Dinsdag’, lukte het hem zelf te ontsnappen door zichzelf als advocaat voor te doen. Een vermoedelijke verwant, Luis A.J. de Lannoy (1952), was tot juni 2007 president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.

    Delfincio Navarro studeerde tijdens de oorlog rechten in Nederland en kwam via bevriende Antilliaanse studiegenoten in het verzet terecht (zie Boy Ecury en Tirso Sprockel). Hun onderlinge communicatie verliep vaak in het Papiaments. Na de oorlog ging Navarro terug naar de Antillen en werkte er als jurist (zie ook www.wikipedia.org).

    Tirso Sprockel (Curaçao, 28 januari 1916 - Pedro Tirso Maria) was een andere Antilliaanse student in Nederland. Hij maakte zijn huis tot een onderduikadres voor joden en geallieerde piloten. Het vormde een schakel in de vluchtroute via Spanje naar Engeland. George Maduro* was op dit gebied ook actief, en zou in juni 1943 zelf proberen (tevergeefs) zo naar Engeland te vluchten. Sprockel werd een aantal malen door de Sicherheitsdienst gearresteerd, maar vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs.

    Toekomst Antillen
    Tirso Sprockel en een aantal medestudenten, onder wie Delfincio Navarro* en Boy Ecury*, discussieerden ook over de toekomst van de Antillen. Daarbij waren zij kritisch ten aanzien van de positie van invloedrijke joodse zakenlieden en bankiers als Maduro, Curiel, Henriquez en Cohen. Ze wilden meer kansen voor ‘de echte Curaçaoënaar’ – waartoe ze uiteraard wel zichzelf rekenden. De moedige studenten waren niet vrij van antisemitisme maar hielpen joden wel onder te duiken en te vluchten.


    Plantage Bloemhof, met als 5e Tirso Sprockel (Bron: www.bloemhof.an)

    vervolg
    Na de oorlog trouwde hij met Wilhelmina (Minette) G.M. Dudar (Tilburg, 11 augustus 1913 - Curaçao, 20 juli 1997). Sprockel, linguïst, zette zich onder meer in voor de bestudering van het Papiaments (www.papiamentu.nl). Met zijn nicht Aminta da Costa Gomez was hij actief voor gehandicapte jongeren op Curaçao. In 1986 werd hier een vormingscentrum voor verstandelijk gehandicapte jongeren naar hem genoemd. Tirso Sprockel ontving verschillende hoge onderscheidingen. Hij overleed op 23 september 2007, op 91-jarige leeftijd.
    Zie ook www.wikipedia.org

    Carlos Alberto Winkel (Curaçao 1914). Winkel studeerde medicijnen in Leiden, waar hij afstudeerde met een proefschrift over kinderreumatiek. Net als Oscar Beaujon* weigerde hij de loyaliteitsverklaring te tekenen. Carlos ging in het verzet. Na de oorlog was hij kinderarts op zijn geboorte-eiland. In 1975 werd hij bijzonder hoogleraar pediatrie aan de universiteit van Groningen.


    Antilliaanse joden in Westerbork


    De verschillende herdenkingssites noemen vier Curaçaose slachtoffers van de genocide op de joden. Daarnaast wordt een vrouw genoemd die in 1920 op Saba werd geboren, echter van een Surinaamse familie kwam: Thelma Polak (zie Suriname). Tenslotte zijn twee joodse studenten te noemen die vanwege hun dienst in het Nederlandse leger en/of hun rol in het verzet in een nazi-kamp om het leven zijn gekomen: Mordechai Gandelman en George John Lionel Maduro (zie boven).

    1. Edgard Alvares Correa. Geboren in Curaçao op 22 november 1880. Edgar Alvares Correa woonde sinds 31 maart 1917 in de psychiatrische inrichting Willem Arntszhoeve in Den Dolder, Zeist. Op de site van Joods Monument staan 14 patiënten en 2 personeelsleden van de W.A.-hoeve. Op 2 februari 1943 was een eerste ontruiming. Op 27 november kwamen de overvalwagens opnieuw. Door heftig verzet van het personeel moest de bezetter terugtrekken. Op 13 december kwam men terug. Twaalf patiënten en van het personeel vermoedelijk leerling-verpleegster Heintje Aronson-Swaab (1919) werden op 13 december 1943 opgepakt en via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Edgar Alvares Correa stierf hierop 26 maart 1944, 63 jaar oud. Hij was met Hartog Krant (Amsterdam, 1917) de laatste van de groep die werd vermoord.
      Extra bron: www.rhoen.nl/oorlogsmonumenten/OorlogsmonumentenZeist.pdf
    2. Carolina van Lissa-van Lissa. Geboren in Curaçao op 13 februari 1864. Laatst bekende woonplaats: Stadhouderslaan 4, Den Haag. Gestorven in Auschwitz op 15 december 1942, 78 jaar oud. Mevrouw van Lissa was weduwe. Zij woonde samen met een verwante, Renette Victorine van Lissa (Kampen, 8 december 1886), die eveneens op 15 december 1942 in Auschwitz vermoord werd, 56 jaar oud.
    3. Abigaël Santcroos. Geboren in Curaçao op 29 december 1865. Laatst bekende adres: Centraal Israëlitisch Krankzinnigengesticht ‘Het Apeldoornse Bos’, Zutphensestraat 106, Apeldoorn. Uit de site van het Joods Monument: ‘In de nacht van 21 op 22 januari 1943 werd het Apeldoornse Bos 'leeggehaald'. De naam van mevrouw Santcroos is nummer 33 op de lijst van het Joods Monument met patiënten- en andere slachtoffers van de Sjoa. Zij behoorde bij de oudste bewoners.

      De in Suriname opgegroeide jonge vrouw Thelma Polak (zie Suriname) komt ook op de naamlijst van ‘Het Apeldoornse Bos’ voor. Zij was wellicht verpleegster.


      foto: www.oudapeldoorn.nl

      Wat gebeurde er?
      Uit ‘Ondergang’ van dr. Presser, I p. 322-330 (www.dbnl.org/tekst) de volgende fragmenten: ‘Enige cijfers? Op 31 december 1942 bevonden zich in de stichting ‘Het Apeldoornse Bos’ bijna 1100 mannelijke en vrouwelijke verpleegden, welk aantal zich tot de dag van de catastrofe wel niet zeer zal hebben gewijzigd; het verplegend, huishoudelijk en technisch personeel bestond uit 400 à 500 personen, waarvan een honderd moeten zijn ondergedoken. Slechts een tiental kwam uit de deportatie terug. In de stichting ‘Achisomog’ werden 74 jongens en 20 meisjes verpleegd, volgens een andere opgave iets meer; wat er van deze kinderen, moeilijk opvoedbaar, debiel, imbeciel en idioot, terecht is gekomen, behoeft geen toelichting…

      Het doorslaggevende bevel tot de ontruiming heeft Harster via Zöpf uit Berlijn gekregen en wel van Eichmann, die een trein van 25 wagons stuurde om de patiënten weg te voeren. …. Op 19 januari, vermeldt Wielek, ‘deelde de Apeldoornse commissaris van politie in gesprekken met ingezetenen en de geneesheer-directeur mede, dat de hele plaats nu 'jodenvrij' gemaakt zou worden’…

      Maar uit meer dan één document van die tijd mag men opmaken, dat zich in de inrichting ook personen bevonden, die er a.h.w. in waren ondergedoken … dat geldt vrijwel zeker voor een aantal z.g. leerling-verplegers en -verpleegsters; daarnaast hoogstens een enkele andere ondergedokene. Maar vele gezonden gingen tegelijk met de zieken en deelden hun lot…

      Reeds bij die inlading in de vrachtauto's liep de zaak volkomen in het honderd. Vaak kwamen slagen en schoppen eraan te pas om de mensen in de auto's te krijgen, kinderen ondergingen hetzelfde lot. Niet weinigen waren nauwelijks gekleed. ‘Ik heb zelf gezien, dat de patiënten, meest oudere vrouwen, op matrassen op een vrachtauto werden gelegd en een volgende mensenlaag eroverheen’, aldus een ooggetuige…

      De volgende ochtend, in de vroegte, riep Aus der Fünten vrijwilligers op onder het verplegend personeel, om met de trein mee te reizen. Uit eigen beweging kwamen er 20, hij zelf wees 30 aan; zij gingen in een aparte wagon, achter de andere aangehaakt. Zij hadden de verzekering gekregen, dat zij daarna zouden terugkomen, of vrijwillig in een modern ziekenhuis werken. Niemand hunner heeft het overleefd. Niemand van de patiënten ook…

      Op de genoemde vijftig na voerden de Duitsers het personeel naar Westerbork. Eerst 300, die volgens een ooggetuige zingend in dat kamp zouden zijn aangekomen. Van hen heeft een half dozijn personen het overleefd. De administratieve staf bleef met de directeur tot 1 februari in de inrichting. Van deze 30 personen heeft een tweetal het overleefd; ook de directeur als reeds gezegd, is omgekomen…

      ‘Nadat de SS-lui hun werk hadden gedaan, haalden zij hun loon; ze plunderden in alle gebouwen. Niets bleef gespaard. Het is niet te beschrijven, in welke toestand zich alle gebouwen na deze plundering bevonden…’


      Abigaël Santcroos stierf in Auschwitz, op 25 januari 1943, op de leeftijd van 77 jaar.

      De in Suriname opgegroeide Thelma Polak (22) werd zes weken later, op 5 maart 1943, in Sobibor vergast.
      Op 23 april 1990 werd door ex-Koningin Juliana bij de hoofdingang van het complex een monument onthuld. ‘Het tragische einde van Het Apeldoornsche Bosch, in de volksmond het Jodenbosch, is gesymboliseerd in een bescheiden maar aangrijpend monument in het Prinsenpark, met de tekst ‘Nooit heb ik wat ons is ontnomen zo bitter liefgehad’, een citaat uit een gedicht van Ida Gerhardt (artikel Wim Nijhof, ‘Schuylenburg lijkt op een kleine stad’, www.sheerenloo.nl - Spectrum 2005).
    4. Guillermito Aniceto Ster. Geboren in Curaçao, op 17 april 1888. Laatste woonplaats Oranje Nassaustraat 8a in Hillegersberg (Rotterdam). Guillermito was getrouwd met Rebecca Sanders (Rotterdam, 1 april 1900). Hij stierf in het kamp Oranienburg (Sachsenhausen) op 13 januari 1943, op 54 jarige leeftijd. Rebecca werd drie maanden eerder, op 22 oktober 1942, vermoord in Auschwitz, 42 jaar oud.
      Van dit huishouden is ook een JOKOS-dossier (nummer 7588) aanwezig op het Gemeentearchief van Amsterdam. Dit betekent dat er na de oorlog een claim is neergelegd bij de Bondsrepubliek Duitsland vanwege geroofde huisraad.

    Bronnen / Verder lezen

    Zie ook Verhalen:
    Abigaël Santcroos en Thelma Polak in 'Het Apeldoornse Bos'

    Ad van den Oord, Allochtonen van nu en de oorlog van toen
    Isaac S. and Suzanne A. Emmanuel, History of the Jews of the Netherlands Antilles. Cincinnati 1970, p. 501.
    weblog.donamaro.nl
    www.veteranen-online.nl
    www.fleetairarmarchive.net
    www.geocities.com/Athens
    www.geocities.com/Pentagon
    www.nik.nl


    Bronnen / Verder lezen




    Allochtonen van nu & de oorlog van toen - Marokko, de Nederlandse Antillen, Suriname en Turkije in de Tweede Wereldoorlog
    Ad van den Oord, SDU/Forum 2003, isbn 90-5409-420-6
    Marokkanen vechtend in de Zeeuwse klei. Antilliaanse studenten in het Nederlands verzet. Surinaamse vrijwilligers naar de Oost, joodse vluchtelingen (niet) naar de West. Turkije als de enige brug naar Palestina…
    De Tweede Wereldoorlog zette alles op z’n kop. Mensenmassa’s raakten op drift door dienstplicht, deportatie, invasie of vlucht. Dat betekende meestal een lijdensweg, maar daagde ook uit om de eigen identiteit en loyaliteit te overdenken. Hoe waren allochtone Nederlanders bij de oorlog betrokken en hoe beleven ze dat nu? Elke groep heeft z’n eigen verhaal, zo wordt duidelijk. Maar als we elkaar goed willen begrijpen, moeten we ook delen in elkaars verleden.
    'Allochtonen van nu & de oorlog van toen' is een eerste stap. Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) heeft in opdracht van FORUM, Kennisinstituut voor Multiculturele Ontwikkeling, onderzoek gedaan naar de militaire, economische en politieke betrokkenheid van Marokko, Turkije, Suriname en de Nederlandse Antillen bij de Tweede Wereldoorlog. Deze uitgave zal het gezamenlijke verleden van autochtone en verschillende allochtone bevolkingsgroepen in Nederland voor het voetlicht brengen.



    Wereldoorlog in de West - Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba 1940-1945.
    Publicatie naar aanleiding van de gelijknamige expositie in het Verzetsmuseum Amsterdam, van 29 juni 2004 - 28 november 2004. Liesbeth van der Horst - Uitgeverij Verloren i.s.m. het Verzetsmuseum Amsterdam, ISBN 90-6550-794-9

    History of the Jews of the Netherlands Antilles - Isaac S. and Suzanne A. Emmanuel, Cincinnati 1970

    Data privécollectie John T.S. Brouwer de Koning versie 5.3

    Familie Gandelman

    Anne Frank Stichting

    www.engelfriet.net

    www.verzet.org

    www.verzetsmuseum.org/west

    www.verzetsmuseum.org/go-west

    DutchJewry

    Joods Monument

    Lo Tisjkach

    Oorlogsgravenstichting